was successfully added to your cart.

A Brit in the Attic

Een Brit op zolder

September 17, 2010

By Arnold Jansen op de Haar

Each year when it turns autumnal, purple flags with Pegasus, the winged horse, on them are flown from houses, balconies and flag posts all over Oosterbeek and Arnhem. Pegasus is the official emblem of the First Airborne Division. On 17th September 1944 this division was dropped in and around Oosterbeek as part of Operation Market Garden to capture the bridge across the Rhine at Arnhem. I don’t believe there is another defeat of the British army anywhere in the world that is still remembered to such an extent.


The former hospital, St Elisabeths Gasthuis, has now been converted into apartments and is home to my mother and Aunt Ted. It is located along one of the lines of advance to the bridge. It took in many German and British casualties. One day it was in British hands, the next it was controlled by Germans. It was located right on the frontline. Forty-eight years later, when it was still a working hospital, my mother’s eldest grandchild was born there.


All year round, but especially in September, it is visited by British tour busses. Often the company alights and they are given information about the former hospital before moving on to 14 Zwarteweg, the house around the corner and the hiding place of General Urquhart. He spent sixteen hours in the attic surrounded by German troops. A wooden sign ‘Urquhart House’ remains attached to the facade of the modest house.


With each group of visitors, my mother and Aunt Ted stand at the window yet again to look for men of their own age: they are the veterans. Then they exchange a quick wave, my mother, Aunt Ted and the veterans. If I am present, they urge me to go outside to talk to them: ‘You speak fluent English.’


Once, on the terrace of the nearby Rijnhotel, Aunt Ted went up to one of these veterans to, only sixty years late, profusely thank him, causing mutual bewilderment.


In those days my mother and aunt lived in the Betuwe, an area south of Arnhem. On 17th September 1944 they witnessed the paratroopers coming down from the sky.


Arnhem and Oosterbeek were not liberated. The British army was savagely defeated and the area evacuated. Aunt Ted, together with my grandparents, crossed the river Waal in a small boat and made it into liberated territory. My mother followed later.


It would take more than another six months before the war ended. When they returned they found their house ransacked. With the help of a ruler my grandfather managed to dry out the complete works of Dickens.


Every family who witnessed it knows the stories. Recently I watched a documentary about a man from Oosterbeek; he was a small boy at the time, whose family had hidden a British captain in their cellar. He was wounded and needed to take a rest. Not long after, he was killed in action just down the road. Every September, this man puts flowers on the captain’s grave. Most inhabitants of Oosterbeek and the surrounding area have been one of the children who lay flowers each year.


My father’s family were active in the resistance in Nijmegen. When the Germans started to deport Jewish families it was impossible to look away. I grew up with the stories and now I live in peace in Arnhem, just as my mother and aunt.


Their brother, my uncle Harry, survived the war only by a couple of months. He died from neglected pneumonia. There weren’t any medicines. ‘His belly swelled up forming a big purple ball,’ says my mother. ‘At regular intervals they tapped off fluid without any anaesthetic.’


Nijmegen and Arnhem were badly hit during the war. Yet this weekend the Pegasus flag is flown, above all in Oosterbeek. I have questioned my mother: ‘But they lost the battle.’ She then replied: ‘But they did it for us. They were nice boys from a foreign country.’ She paused to find the right words: ‘That’s what makes it so extraordinary.’


© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press
 
You can leave your comment on our forum.
 
Previous columns:












































Elk jaar als de herfst zich aankondigt verschijnen in Oosterbeek en Arnhem aan de gevels van de huizen, op balkons en aan vlaggenmasten paarse vlaggen met de Pegasus, het gevleugelde paard. Dat is het insigne van de First Airborne Division die op 17 september 1944 bij Oosterbeek landde om tijdens operatie Market Garden de brug van Arnhem te veroveren. Ik geloof niet dat er ergens in de wereld een nederlaag van het Britse leger zo groots herdacht wordt als hier.

Mijn moeder en tante Ted wonen in appartementen in het St. Elisabeths Gasthuis, het voormalige ziekenhuis dat direct aan een van de opmarsroutes lag. Hier kwamen veel van de Duitse en Britse gewonden terecht. De ene dag was het Brits, de volgende dag weer Duits. Het lag precies in de frontlinie. En 48 jaar later werd in het St. Elisabeths Gasthuis, toen nog steeds een ziekenhuis, het oudste kleinkind van mijn moeder geboren.

Heel het jaar, maar vooral in september, stoppen er Britse bussen voor de deur. Meestal stapt men uit en geeft iemand uitleg over het voormalige ziekenhuis, dan verplaatst het gezelschap zich naar Zwarteweg nr. 14, waar de commandant van de First Airborne Division, generaal Urquhart, zestien uur op zolder doorbracht omdat hij was ingesloten door de Duitsers. Een houten bord met ‘Urquhart House’ tooit nog altijd de gevel van het huisje.

Elk bezoek opnieuw staan mijn moeder en tante Ted voor het raam en dan zoeken ze tussen het gezelschap naar mannen van hun eigen leeftijd. Dat zijn de veteranen. En dan zwaaien ze even naar elkaar, mijn moeder, tante Ted en de veteranen. Als ik aanwezig ben sporen de dames mij aan om naar buiten te gaan ‘om met ze te praten’: ‘Jij spreekt goed Engels.’

Op het terras van het nabijgelegen Rijnhotel is tante Ted wel eens zelf naar zo’n veteraan toe gestapt om hem meer dan zestig jaar na dato uitgebreid te bedanken. Tot onthutsing van beiden.

Mijn moeder en tante woonden destijds in de Betuwe, het gebied ten zuiden van Arnhem. Ze hebben de parachutisten op 17 september 1944 uit de lucht zien vallen.

Arnhem en Oosterbeek werden niet bevrijd. Het Britse leger leed een bloedige nederlaag en het gebied werd geëvacueerd. Tante Ted stak met opa en oma in een klein bootje de rivier de Waal over naar bevrijd gebied. Mijn moeder volgde later.

Het zou nog ruim een half jaar duren voor er een eind kwam aan de oorlog. Toen ze terugkwamen was de inboedel grotendeels verwoest. Mijn opa heeft het verzamelde werk van Dickens met behulp van een liniaal pagina voor pagina gedroogd.

Elke familie die het heeft meegemaakt, kent de verhalen. Onlangs zag ik in een documentaire een man uit Oosterbeek, destijds een kleine jongen, van wie de familie een Britse kapitein in de kelder had gehad. Hij was gewond en wilde even op adem komen. Niet veel later sneuvelde hij drie huizen verderop. En elk jaar legt die man in september een bos bloemen bij zijn graf. In Oosterbeek en wijde omtrek woont eigenlijk niemand die als kind geen bloemen heeft gelegd.

De familie van mijn vader zat tijdens de oorlog in Nijmegen in het verzet. Toen de Joden werden gedeporteerd konden ze niet langer toekijken. Ik heb die verhalen meegekregen. En nu woon ik in vrijheid in Arnhem. Net als mijn moeder en mijn tante.

Hun broer, mijn oom, Harry heeft de oorlog maar een paar maanden overleefd. Hij stierf aan een verwaarloosde longontsteking. Er waren geen medicijnen. ‘Zijn buik zwol op tot een grote paarse bal,’ zegt mijn moeder. ‘En regelmatig werd er zonder verdoving een punctie verricht.’

Nijmegen, Arnhem en omgeving zijn zwaar getroffen door de oorlog. Vooral in Oosterbeek wappert dit weekend de vlag met de Pegasus. Ik heb wel eens tegen mijn moeder gezegd: ‘Maar ze hebben die slag toch verloren.’ En toen zei ze: ‘Ze deden het wel voor ons. Het waren jonge jongens. Uit een vreemd land.’ Ze zocht even naar woorden. ‘Dat is heel bijzonder.’

© Arnold Jansen op de Haar

U kunt reageren op ons forum.
 
Eerdere columns: