was successfully added to your cart.

A Poet with Gout

Een dichter met jicht

March 6, 2013

By Arnold Jansen op de Haar

Last week I spent two nights away from home, and felt as parents must do when they have to leave their children behind at home. ‘But you don’t have any kids,’ I anticipate you saying.

It’s because of my mother, who needs a lot of support from the home help, Aunt Ted and me. My London-based sister calls her several times a day. For some reason I feel like the central defender of support, a central defender with gout.

Gout ran wild during the Renaissance. Apparently, plenty of red meat and red wine don’t help. Michelangelo suffered from gout.

So, looking like Quasimodo, I made my way in turn across Arnhem, Roosendaal, Antwerp, Brussels South, St Pancras and Paddington stations. Changing trains when you have gout is quite laborious. Especially when you are trying to get to the designated smoking area at the far end of the platform at Roosendaal, while at the same time looking for change to use one of the two, self-cleaning, toilets on the station.

And I kept muttering to myself: ‘I used to be an officer in an elite unit.’ I also told myself, taking to heart advice from my time in the army, not to ‘compensate for it’ when walking. Or, as they said when the weather was cold: ‘Don’t disappear into your coat!’ However, my big toe was making totally different noises.

I wore white trainers for the journey, and I received quite a few raised eyebrows when I crossed the Belgian border; the Belgians are much more attuned to fashion than the Dutch. In England they actually stared at my feet; the English always check your shoes. I thought they would probably stop and search me at customs, but it all went fine.

On the way I thought about my terminally ill mother, my foot and the What’s your History? awards ceremony, which was due to take place the next day.

The publisher and I arrived early at the Poetry Café, just in time to greet four enthusiastic ladies from Amsterdam, who told us they were going to have a wonderful evening. There was a first prize for the best Dutch poem as well as for the best English poem. I was the presenter, and so I found myself ‘between languages’ for the entire evening.

Meliza de Vries, the winning Dutch poet, read a beautiful poem: Island Hopping. ‘Someone who tries to link two islands, / often forgets about the sea.’ She won the first prize out of a high-quality shortlist, and she was there with her boyfriend. Later she explained: ‘How often do you get invited to an awards ceremony in London? So we had to go.’

Twenty-three-year-old Deborah Stevenson won the English prize with Cecil Park – High as the Swings. It’s a poem about bored youths and drugs in London’s East End. A quote:

The city –
a shitty sun. We’ve needed a new one for a while – that
doesn’t soak into the tarmac like chewing gum.

It appeared that the poet had lived through it herself. She told me later that she can now make a living out of her poetry. Back in the East End, among such different people, she’d become a poet. Nowadays she encourages Nottingham’s youth to write poems.

At this event, in the packed basement of the London Poetry Café, in her cockney accent, she recited by heart this poem full of energy and the hope of a marvellous future as a poet.

It was clear that for both the winners writing their poems was a necessity, and so too for the other shortlisted poets poetry seemed more than something to fill the hours. Even the young barwoman from Montenegro looked like a poet. Chairman of the jury Stephen Watts certainly looked the quintessential poet. That evening there was a buzz in the Poetry Café.

We’ll announce a new poetry competition later this year. Put this into your diary: 26 February 2014, the next poetry awards ceremony at the Poetry Café. It will be an evening for forgetting about gout and a terminally ill mother, just for a moment.

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press

arnold jansen op de haar

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Previous columns:
Afgelopen week was ik twee nachten van huis en het voelde zoals ouders zich moeten voelen als ze twee nachten hun kinderen moeten achterlaten. ‘Je hebt helemaal geen kinderen,’ hoor ik u nu zeggen.

Het komt door mijn moeder. Die heeft veel zorg nodig. Van de thuiszorg, tante Ted en mij. Mijn zus uit Londen belt haar meerdere keren per dag. Op de een of andere manier voel ik me de centrale verdediger van het zorgteam. Een centrale verdediger met jicht.

Tijdens de Renaissance was jicht schering en inslag. Veel rood vlees en rode wijn schijnt niet erg te helpen. Michelangelo was een jichtlijder.

Ik toog als de klokkenluider van de Notre Dame over respectievelijk het station van Arnhem, Roosendaal, Antwerpen, Brussel-Zuid, St. Pancras en Paddington. Overstappen met jicht is best lastig. Zeker als je in een paar minuten de rookplek probeert te bereiken op het puntje van het perron in Roosendaal, terwijl je ook nog geld probeert te wisselen voor een van de twee zelfreinigende wc’s die het station Roosendaal rijk is.

En ik maar tegen mezelf mompelen: ‘Vroeger was ik officier bij een elite-eenheid.’ Ook hield ik mijzelf voor ‘er niet naar te gaan lopen’, zoals ze in het leger altijd zeiden als je een blessure had. Of bij koud weer: ‘Niet in je kraag gaan hangen!’ Maar mijn grote teen zei hele andere dingen.

Ik reisde op witte sportschoenen, wat enige wenkbrauwen deed fronsen toen ik de grens met België passeerde. (Belgen hebben meer gevoel voor mode dan Nederlanders.) In Engeland staarde men zelfs ongegeneerd naar mijn schoenen. (Engelsen kijken altijd eerst naar je schoenen.) Nu gaan ze natuurlijk bij de douane alles doorzoeken, dacht ik nog. Dat bleek mee te vallen.

Ondertussen dacht ik aan mijn doodzieke moeder, mijn voet en de uitreiking van de Wat is jouw geschiedenis? poëzieprijs, die de volgende dag zou plaatsvinden.

De uitgever en ik waren al vroeg bij The Poetry Café. Net op tijd om vier enthousiaste dames uit Amsterdam te begroeten die zeiden er een heerlijke avond van te zullen maken. Er was een prijs voor het beste Nederlandse en het beste Engelse gedicht. Dus zat ik als presentator de hele avond tussen twee talen in.

De Nederlandse winnares, Meliza de Vries, las een mooi gedicht voor: eilandhoppen. Wie twee eilanden probeert te verbinden,/ vergeet vaak de zee. Daarmee werd ze de winnares van een ijzersterke Nederlandse shortlist. Ze was samen met haar vriend. Later zei ze: ‘Zo’n uitreiking in Londen, hoe vaak komt dat voor? Dus ik dacht: we gaan.’

De 23-jarige Deborah Stevenson won met Cecil Park – High as the Swings de Engelse prijs. Een gedicht over hangjongeren en drugs in Oost-Londen. Een fragment:

The city –
a shitty sun. We’ve needed a new one for a while – that
doesn’t soak into the tarmac like chewing gum

De dichteres leek het allemaal zelf meegemaakt te hebben. Inmiddels leeft ze van de poëzie, zei ze later. Daar in Oost-Londen, tussen die anderen, was ze dichter geworden. En nu zet ze jongeren in Nottingham aan het dichten.

Op deze avond in Londen, in de bomvolle kelder van The Poetry Café, las ze uit haar hoofd met haar Cockney accent dat gedicht voor, vol energie, met hoop op een geweldige toekomst als dichter.

Bij beide winnaressen hoorde je een noodzaak voor het schrijven van hun gedichten. Ook voor de andere genomineerden leek poëzie veel meer dan een bezigheid. Zelfs de jonge bardame uit Montenegro leek een dichteres. En juryvoorzitter Stephen Watts zag er precies uit zoals een dichter eruit hoort te zien. Het zinderde die avond in The Poetry Café.

Later dit jaar schrijven we een nieuwe poëziewedstrijd uit. Noteer woensdag 26 februari 2014 vast in de agenda. Dan is er weer een prijsuitreiking in The Poetry Café. Zo’n avond waar je de jicht en je doodzieke moeder vergeet. Voor heel even.

© Arnold Jansen op de Haar


Een klein dingetje
Een knotsgekke berg
Verbrand deze brief!
Een zeer koninklijk toneelstuk
Schrijven als verlossing
Een Nobelprijs voor Ricky Gervais
Sesamstraat Politie