was successfully added to your cart.

A Secretive Society

Een geheimzinnig genootschap

May 17, 2010

By Arnold Jansen op de Haar

It could well be that you have heard of The Bullingdon Club, a secretive dinner club in Oxford University. In the eighties it counted David Cameron, George Osborne and Boris Johnson among its membership. Another high profile member was David Dimbleby, of course he joined them half a lifetime earlier, but even so The Bullingdon Club is firmly established into the centre of power.


Suddenly I realised that in the eighties during my time at the Royal Dutch Military Academy, I was a member of the Cadet Drink and Dining Society (CDDS). I was the Boris Johnson of the CDDS, the same ambition but with without the mop of hair.


The Bullingdon Club has the dubious reputation to provoke a refurbishment of the establishments it honours with a visit. However, any incurred expenses are swiftly reimbursed by a cash payment. Compared to this, the activities of the Cadet Drink and Dining Society were just child’s play.


It was quite likely that the ‘Master Taster’ with a few well chosen words would destroy the culinary reputation of the relevant establishment, but apart from esteem we didn’t demolish anything else. In accordance with our motto: ‘During dinner what matters is not so much the food on the table but rather the people who sit around the table.’ This is equally true for a government.


I became a member of this society by default because I was a Senator of the Cadet Corps. In the Cadet Drink and Dining Society I was known as: ‘Fellow Diner without Portfolio’.


The Senate was the most important organisation and somewhat secretive. You became a Senator after being selected by the cadets in your year. This is the only election I have ever won. First year students, generally known as ‘Young Bulls’, were instructed during their initiation period to shout ‘Show Respect’ when they spotted a Senator. Looking back now, I think this was quite ridiculous.


The Senate presided over all other societies. A rigorous pecking order was in place. For example, you were free to join the Cadet Marching Band, but this was not very highly rated because of their problems producing acceptable tunes. We considered their performances to constitute a: ‘Drill with Instruments’. Being a member of the COMC, the Cadet Old Motorcar Club, didn’t bring you any kudos either. Any owner of a rusty old vehicle was eligible to join.


Another society that deserves a mention is the one formed by people who failed their year: The Asymptote. The ultimate goal was to become an Asymptote twice over. However all the popular guys belonged to the Cadet Drink and Dining Society and the most favoured in their midst sat in the Senate.


One day the Senate went on a trip to Brussels. I can’t remember why, it might just have been a weekend away. After partaking of a few spirits, we found ourselves in Wetstraat (Law Street). Who would have expected it but on the wall hung a sign that said: ‘Chair of the Senate’: a golden opportunity. One of the Senators was instructed to keep a well-armed guard occupied with chit-chat whilst the others unscrewed the sign. Subsequently it was carried around in triumph at several cafes in Brussels.


If we had been found out we would have been in deep trouble and none of us would have had the opportunity of capture the public’s attention. In those days we considered ourselves above the law. It was our strong intention that we would go far in the future. I fancied myself as Prime Minister. That’s why hearing about The Bullingdon Club brought back all these memories. Good guys, but a somewhat dubious society.


Nowadays I hardly meet any of my fellow Senators, with the exception of D. We joined the Grenadier Guards at the same time and together we were caught up in a war.


I discovered literature and D, too, eventually found a new career. We both loathe initiation ceremonies; actually we both have a problem with authority in general. So we haven’t made it to Prime Minister or Chancellor of the Exchequer. I am now a writer and D. teaches Walking Yoga, also quite an achievement for both of us.


On Monday mornings mostly around eleven o’clock we meet in a cafe for ‘work catch-up’ sessions. When the weather is good this takes place outside. We light a cigar and muse: ‘Do you think the others are quite busy just now?’ Luckily we still have the pictures to remind us of our past.


© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press
 
You can leave your comment on our forum.
 
Previous columns:






























Misschien heeft u van The Bullingdon Club gehoord. De Britse minister-president David Cameron, de minister van financiën George Osborne en de burgemeester van Londen Boris Johnson waren in de jaren tachtig lid van de geheimzinnige ‘dinner club’ in Oxford. Maar ook tv-presentator David Dimbleby. Die laatste een half leven eerder, maar toch, The Bullingdon Club is doorgedrongen tot het centrum van de macht.
 
Opeens realiseerde ik mij dat ik zelf in de jaren tachtig op de Koninklijke Militaire Academie lid ben geweest van het Cadetten Borrel en Diner Genootschap. Ik was de Boris Johnson van het CBDG, zelfde ambitie, minder haar.
 
The Bullingdon Club heeft de twijfelachtige reputatie om de etablissementen die men bezoekt enigszins te verbouwen. En vervolgens betaalt men cash de onkosten. Daarbij vergeleken waren de activiteiten van het Cadetten Borrel en Diner Genootschap kinderspel.

Mogelijk dat ‘de Opperhapper’ met enige welgekozen bewoordingen de culinaire kwaliteit van het betrokken etablissement neersabelde, maar behalve reputaties maakten we niets stuk. Onze zinspreuk luidde tenslotte: ‘Het komt er bij een diner niet zozeer op aan wat zich op tafel bevindt, als wel wat er op de stoelen zit’. Net als bij een regering.

Ik was automatisch lid van het genootschap omdat ik in de Senaat van het Cadettencorps zat. Bij het Cadetten Borrel en Diner Genootschap was ik ‘Mee-eter zonder Functie’.

De Senaat was het hoogste orgaan en een beetje geheimzinnig. Je werd door je jaargenoten gekozen. Het is de enige verkiezing die ik ooit gewonnen heb. Eerstejaars, die stiertjes werden genoemd, moesten tijdens de ontgroening ‘respect’ roepen als er een Senator langs kwam. Het komt mij nu potsierlijk voor.

Onder de Senaat vielen alle overige verenigingen. Er bestond een stevige pikorde. Zo kon je lid zijn van het Cadetten Tamboer Korps, niet erg prestigieus want ze konden nauwelijks toeteren. Hun optreden bestond vooral uit ‘exercitie met instrumenten’. Ook het lidmaatschap van de COAC, de Cadetten Oude Automobiel Club, was geen aanbeveling. Als je een roestig wrak bezat, mocht je al meedoen.
 
De vereniging van zittenblijvers dient hier nog vermeld te worden: De Asymptoot. Hoogste streven: dubbelasymptoot worden. Maar in het Cadetten Borrel en Diner Genootschap zaten ‘de populaire jongens’. En de meest populaire van de populaire jongens zaten in de Senaat.

Op een dag reisden wij Senatoren af naar Brussel. Ik weet niet eens meer waarom, ik geloof gewoon voor een weekend ertussenuit. Na het nuttigen van enige spiritualiën verzeilden we in de Wetstraat. En verdomd, daar hing een bord met de woorden ‘Voorzitter Senaat’. Een buitenkansje. Een der Senatoren kreeg opdracht de zwaarbewapende wachtpost af te leiden en de overigen schroefden het bord van de muur. Dat is toen in optocht langs enige Brusselse cafés gevoerd.

Het had fout kunnen aflopen en dan was er nooit meer iets van ons vernomen. Maar in die dagen voelden wij ons boven de wet verheven. Ooit, zo beloofden wij elkaar, gingen we het heel ver brengen. Ikzelf dacht aan minister-president. Daarom herken ik het zo goed van die jongens van The Bullingdon. Goeie jongens, maar een rare club.

Tegenwoordig zie ik de overige Senatoren nog nauwelijks. Behalve D. Samen arriveerden we als officier bij het Garderegiment Grenadiers. Samen verzeilden we in een oorlog.

Ik ontdekte de literatuur en ook D. ging uiteindelijk een andere weg. We hebben allebei een hekel aan ontgroeningen. Eigenlijk aan gezag in het algemeen. En we zijn geen minister-president en minister van financiën geworden. Ik ben schrijver en D. geeft wandelyoga. Ook mooi.

Op maandagochtenden zo omstreeks elf uur treffen we elkaar in het café voor ‘werkoverleg’. En bij zonnig weer op een terras. We steken een sigaar op en dan zeggen we tegen elkaar: ‘Zouden die anderen het erg druk hebben?’ Gelukkig hebben we de foto’s nog.

© Arnold Jansen op de Haar

U kunt reageren op ons forum.
 
Eerdere columns: