was successfully added to your cart.

A Statue in Budapest

Een standbeeld in Boedapest

March 7, 2011

By Arnold Jansen op de Haar

I have never won a prize, not even a literary prize. This week I caught myself in the act of practising a Colin Firth in front of a mirror. ‘I am the bald Colin Firth,’ I said and moved my voice down a register. ‘This is my acceptance speech.’ Luckily I didn’t have an audience.

I thanked my parents. ‘Look, my 86-year-old mother is sittimg over there,’ I call out to an imaginary public. She is wearing her best hat. I do not forget to mention my father ‘who is looking down from heaven’. I continue by mentioning a list of departed friends. I am quite convinced they can still be of use.

I continued my speech, ‘For a long time it seemed they were playing cards in paradise but they must have finished, otherwise the jury wouldn’t have selected me.’

Sometimes I invent entire jury reports: ‘His work is dark, yet also very witty.’ I am strongly in favour of prize winners writing their own jury’s report.

Juries often make the strangest remarks. ‘This book offers more than its first impression of being a trendy superficial story.’ (The jury doesn’t rate this book but had to select it.) ‘A book with hidden depths.’ (The jury doesn’t find it an easy read but was swayed by public opinion.) ‘This is not an easy read.’ (A few members of the jury gave up on this book and not without reason.). ‘This book tells a disturbing story.’ (The jury thinks the writer is totally crazy.)

I have also never received a royal honour. In the Netherlands it is considered fashionable to refuse a royal honour because ‘you are against the monarchy’.

I would immediately accept such an honour even though I have my doubts about the Dutch monarchy. For example commoners marrying into the royal family are called ‘prince’ or ‘princess’ whereas other citizens who have really achieved something cannot be knighted. The fact that everyone suddenly addresses the daughter of the local hairdresser as ‘princess’ gives me the giggles.

However, thinking of the possibility that Crown Princess Máxima may turn up to present me with the insignia cheers me up and I will give her three kisses.

The Dutch kiss each other three times and this frequently causes misunderstandings abroad. In the rest of the world they just kiss once or twice and Argentine-born Máxima will have had to get used to it. It looks a bit greedy. ‘Bear this in mind when receiving foreign honours,’ I have noted down, because you never know.

Elvis Presley is posthumously to become an honorary citizen of Budapest, it was reported this week. The reason is the song (Peace in the Valley) Elvis sang on the Ed Sullivan Show at the time of the Hungarian revolution. It is supposed to suggest his support for the Hungarian Uprising.

Apart from his time as an army conscript in West Germany, Elvis hardly ever went abroad. His manager ‘Colonel’ (Tom) Parker, who was of Dutch descent whose real name was Dries van Kuijk, had no citizenship. That is why Elvis never went on a world tour.

In 2009, Peer, a town in Belgium, made Pieter Bruegel the Elder, who lived from approximately 1525 to 1569, an honorary citizen. He was apparently born in Peer, although that isn’t completely certain and he is also claimed by the Dutch town of Breda. I think this honour comes a bit late in the day for a man with such nicknames: Peasant-Bruegel, Dirty Bruegel and Peer the Turd.

Well, recognition can be given too early; will President Obama often think back to being awarded his Nobel Peace Prize?

Yet a posthumous honour is the worst. I am saying no in advance, in case this happens, to anyone who might wonder if I would have accepted an honorary citizenship. Before you know it, you are collecting pigeon droppings on a plinth in Budapest.

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press

You can leave your comment on our forum.

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Previous columns:

An Altruistic Writer

Ik heb nog nooit een prijs gewonnen. Ook geen literaire prijs. Van de week betrapte ik me erop dat ik voor de spiegel stond te oefenen als Colin Firth. ‘Ik ben de kale Colin Firth,’ zei ik en ik liet mijn stem een octaaf zakken, ‘dit is mijn dankwoord.’ Gelukkig zijn er dan geen mensen die meekijken.

Ik bedank mijn ouders. ‘Kijk, daar zit mijn 86-jarige moeder,’ roep ik naar het denkbeeldige publiek. Ze draagt haar beste hoed. Ook mijn vader, ‘die van boven meekijkt’, vergeet ik niet. En vervolgens noem ik nog een heel rijtje bevriende dooien. Ik heb namelijk het idee dat die iets voor je kunnen doen.

‘Lange tijd was het of ze boven zaten te kaarten,’ zo vervolg ik mijn speech, ‘maar daar moeten ze mee zijn gestopt, anders had de jury mij nooit gekozen.’

Soms bedenk ik hele juryrapporten. ‘Zijn werk is depressief, maar toch ook heel grappig.’ Ik ben er heel erg voor dat prijswinnaars hun eigen juryrapport schrijven.

Jury’s zeggen namelijk de gekste dingen. ‘Dit boek is meer dan het blitse, oppervlakkige verhaal dat het in eerste instantie lijkt.’ (De jury vindt het een flutboek maar kon er niet omheen.) ‘Dit is een roman met diepgang.’ (De jury vindt het een moeilijk boek maar kon er niet omheen.) ‘Dit is geen boek dat je zomaar naast je neerlegt.’ (Enkele juryleden hebben het weggelegd. Maar daar hadden ze een reden voor.) ‘Een verontrustende roman.’ (De jury denkt dat de schrijver knettergek is.)

Ook een koninklijke onderscheiding heb ik nooit ontvangen. In Nederland is het chique om zo’n koninklijke onderscheiding te weigeren ‘omdat je tegen het koningshuis bent’.

Ik zou zo’n onderscheiding onmiddellijk accepteren, hoewel ook ik mijn bedenkingen heb bij de Nederlandse monarchie. Zo vind ik het gek dat nieuwe leden van de koninklijke familie prins of prinses worden genoemd en burgers die echt iets gepresteerd hebben niet in de adelstand verheven kunnen worden. Van een dochter van de plaatselijke kapper die opeens door iedereen prinses wordt genoemd, krijg ik de slappe lach.

Maar als ik bedenk dat de mogelijkheid bestaat dat kroonprinses Máxima zou kunnen opdagen om mij de versierselen van een koninklijke onderscheiding op te spelden, kikker ik helemaal op. Ik ga haar drie zoenen geven.

In Nederland geeft men elkaar drie zoenen. Dit veroorzaakt regelmatig misverstanden in het buitenland. De rest van de wereld geeft er twee of één. En ook de Argentijnse Máxima zal er aan hebben moeten wennen. Het staat een beetje gretig. ‘Hieraan denken bij buitenlandse onderscheidingen’, staat er in mijn notitieboekje. Want je weet maar nooit.

Deze week werd bekend dat Elvis Presley postuum ereburger van Boedapest zal worden. De reden is dat Elvis in de Ed Sullivan Show een liedje zong (Peace in Valley) ten tijde van de Hongaarse opstand. Dat liedje zou wijzen op zijn steun voor de Hongaarse Lente.

Elvis is, behalve in zijn diensttijd in West-Duitsland, nauwelijks in het buitenland geweest. Zijn manager ‘Kolonel’ (Tom) Parker, de van oorsprong Nederlandse Dries van Kuijk, was stateloos. Daarom kwam er nooit een wereldtournee.

De beroemde schilder Pieter Bruegel de Oude (circa 1525-1569) hebben ze in 2009 ereburger gemaakt van het Belgische plaatsje Peer. Hij schijnt er geboren te zijn. Maar volledige zekerheid bestaat daar niet over. Breda claimt hem ook. Ik vind het sowieso een beetje laat voor de man met de bijnamen Boeren-Bruegel, Vieze Bruegel en Peer den Drol.

Nou ja, de erkenning kan ook te vroeg komen. Zou President Obama nog wel eens aan zijn Nobelprijs voor de Vrede denken?

Maar postume eer is het allerergste. Voor mensen die zich dan afvragen of ik het ereburgerschap geaccepteerd zou hebben, zeg ik nu al nee. Voor je het weet sta je op een sokkel in Boedapest duivenpoep te verzamelen.

© Arnold Jansen op de Haar
U kunt reageren op ons forum.

Eerdere columns:
Voorbij de waanzin