was successfully added to your cart.

D-Day for Poetry

D-Day voor poёzie

June 12, 2014

By Arnold Jansen op de Haar

Recently, I went to a meeting of the Torriano Poets in Kentish Town, London. It was a beautiful summer’s evening. The stifling hot room was packed. I estimated that the average age was 73.

There’s nothing wrong with older poets: I often find older poets more interesting than younger ones. Actually, the presenter was much younger than the others. And you could argue that the house in which the meeting took place would benefit from a lick of paint. Similarly, the presenter could do with a bath, plus a bit of reanimation, because he presented the evening in the same way as Andy Murray handles his press conferences.

The evening started with an open mic. During readings by the participants, the presenter was draped on his chair like a wet blanket. Every now and then, he emitted a short chuckle. Ah, he was still alive.

The first poet sang a song by Che Guevara. There was something odd about the poet’s head. When he started singing his mouth disappeared behind his right ear, like in a painting by Francis Bacon. It took him a while to locate, with just one finger, the correct note on the piano which stood to one side. But after three attempts he began his song with a trembling, though loud, voice. I thought: we may be about to sing the Internationale: Stand up, damned of the Earth!

Most of the open mic poets recited rather nervously a short story that was supposed to be a poem. I suddenly felt a huge amount of compassion. Here was yet another singer; he was going to sing a well-known song. Unfortunately, he had forgotten the tune. Some ladies in the audience tried to help by singing the first few bars. ‘Just a bit more, please,’ squeaked the singer. After much toing and froing he finally got the tune.

The presenter then asked the audience if there were any announcements. This was a bad move. Information about various events seemed to clash, and a person who wasn’t in the audience was labelled ‘someone who couldn’t organise a thing’, and who, for heaven’s sake, was going to man the poetry stall at the festival?

During the interval, my publisher and I talked to an elderly German–to-English translator. She was a dignified and friendly lady who had left Germany when she was a young girl.

The wet blanket had to get the audience back into their chairs. First he tried quietly, but no one paid any attention. Suddenly he shouted loudly: ‘Quiet!’ Some of those present nearly died of fright.

The readings by the invited poets began: Leah Fritz, whom I had especially come to hear, and another elderly poet, Alan Brownjohn. I began listening in a sympathetic frame of mind. He must have written beautiful things.

But he began with a poem conssisting of opening lines based on letters of the alphabet. During the reading he had to backtrack because he had missed out ‘k’, so we had to listen twice to ‘l’. It conjured up a fleeting picture of an uncle going on for too long at a wedding.

In any case, the introductions to his poems didn’t make much sense. ‘I don’t understand,’ he said, ‘why we commemorate D-Day.’ He also told us that on D-Day, when he was thirteen, his teacher announced that he had something important to tell them. But they had already got wind of the rumours, so they had laughed at the teacher. The moral of the story: D-Day was already old news, even back then.

It reminded me of my grandfather, who, in the occupied Netherlands, carefully mapped the advance of the Allies with small flags. And of my uncle’s group in the resistance; half of them perished. The lady, who I expect had fled Germany at a young age, left the meeting shortly afterwards. A signal for my publisher and me to follow suit.

It is possible to make people enthusiastic about poetry. But to let people recite poems without any pre-selection, followed by a poet who talks rubbish and goes on and on, presided over by a half-dead presenter – that is going too far. Sorry, Leah Fritz, I would have loved to hear more of your poems, and if there had been a camera, the result would have been a marvellous film. But do you know what I’m hoping for? A D-Day for Poetry.

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press
arnold jansen op de haar

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Previous columns:
A Dog in London
Van Gaal and Wurst
Baby King George
The Virgin Train from Birmingham
Nuclear Hospitality
Vladimir the Viking
Ski Girl with Moustache
Phoenix
Message From the Bathtub
A Consistent Resolution
Nigella’s Law
Selfie
Cowboy in the Kingdom
An Angry Philanthropist
Oligarch with Red Umbrella
The Lives of Others
Uproar in the Czar Peter House
A Postcard Home
An Angry Ladies’ Hairdresser
Syrian Football
The Man Who is Always Late
What will survive of us is love
A Gibraltarian Librarian
A Gay Sympathiser
Hot Pants Harry
Cycling Sustained by Aunt Corry’s Pancakes!
A Slight Inconvenience
Phoning an Extraterrestrial
Naked in a Ballet Class
The Ouch, Ouch, Ouch Threshold
Eurovision
A Sincere Person
King of the People
Thatcher’s Secret Weapon
A Cycling Jeweller
Eating Like the Pope
A Poet with Gout
A Plastic Foreign Horse
A Bit Sfifling
A Roman Catholic Queen
Onlangs bezocht ik een bijeenkomst van de Torriano Poets in Kentish Town, Londen. Het was een prachtige zomeravond. Het stikhete zaaltje zat vol. Ik schatte de gemiddelde leeftijd op 73.

Er is niks mis met oudere dichters. Ik vind oudere dichters vaak interessanter dan jonge. De presentator was overigens veel jonger dan de rest. En zoals je over het huis waar de bijeenkomst plaatsvond kon zeggen dat het wel een verfje kon gebruiken, zo kon de presentator wel een bad gebruiken. En enige reanimatie, want hij presenteeerde zoals Andy Murray persconferenties geeft.

Voor de pauze was er een open podium. Tijdens het voorlezen van de deelnemers lag de presentator als een natte handdoek over zijn stoel. Soms grinnikte hij even. Ah, hij leefde nog.

De eerste dichter zong een lied van Che Guevara. Er was iets met zijn hoofd. Als hij begon te zingen verdween zijn mond achter zijn rechteroor, als in een schilderij van Francis Bacon. Het duurde even voordat hij met één vinger de juiste toon op de aanwezige piano kon vinden. Maar na drie pogingen begon hij met trillende doch luide stem aan zijn lied. Ik dacht: zometeen gaan we nog met zijn allen De Internationale zingen. Ontwaakt, verworpenen der aarde!

De meeste open podium dichters lazen nogal zenuwachtig verhaaltjes voor die een gedicht moesten voorstellen. Ik werd getroffen door een enorm mededogen. Er was ook nog een andere zanger. Hij zou een bekend lied gaan zingen. Hij was alleen de melodie kwijt. Dames uit het publiek schoten te hulp. Ze zongen de beginmaten. ‘Nog iets langer, graag,’ piepte de zanger. Na veel soebatten had hij eindelijk de melodie.

De presentator vroeg nu aan het publiek of er nog mededelingen waren. Dit had hij beter niet kunnen doen. Data van activiteiten bleken elkaar te bijten, over iemand die niet aanwezig was werd gezegd dat ‘ze niks kon organiseren’ en wie ging bij het festival in godsnaam het poÑ‘ziestalletje bemannen?

In de pauze spraken mijn uitgeefster en ik met een oude vertaalster Duits-Engels. Een statige en vriendelijke dame die als klein meisje Duitsland had verlaten.

De natte handdoek probeerde nu het publiek weer op de stoelen te krijgen. Eerst zachtjes. Niemand luisterde. Opeens schreeuwde hij: ‘Quiet!’ Enige aanwezigen schrokken zich bijna dood.

De hoofdact nam een aanvang: Leah Fritz, voor wie ik gekomen was, en een andere oude dichter, Alan Brownjohn. Ik begon welwillend te luisteren. Hij had vast prachtige dingen gemaakt.

Maar hij begon met een gedicht van beginregels op de letters van het alfabet. Onderweg moest hij ook nog terug omdat hij de ‘k’ had overgeslagen. We kregen de ‘l’ dus twee keer. Even drong zich het beeld op van een oom die iets te lang optreedt op een bruiloft.

Hij hield sowieso inleidingen tot zijn gedichten waar geen touw aan vast te knopen was. ‘Ik begrijp niet,’ zei hij, ‘waarom ze D-Day herdenken.’ Ook vertelde hij dat toen hij dertien was de leraar op D-Day in de klas had aangekondigd iets belangrijks te willen mededelen. Maar dat gerucht was al doorgekomen. Dus hadden ze de leraar uitgelachen. Waarmee hij maar wilde zeggen dat D-Day toen al oud nieuws was.

Ik moest denken aan mijn grootvader in bezet Nederland, die de opmars van de geallieerden nauwgezet met vlaggetjes op een kaart bijhield. En ik dacht aan de verzetsgroep van mijn oom, waarvan de helft is omgekomen. De dame die naar ik vermoed als Duitsland was ontvlucht, verliet even later de bijeenkomst. Sein voor mijn uitgeefster en mij om te volgen.

Het kan wel: mensen enthousiast maken voor poёzie. Maar zonder voorselectie mensen gedichten laten voordragen, daarna een dichter die onzin verkoopt en veel te lang van stof is opvoeren, en dit alles laten begeleiden door een halfdooie presentator, dat is teveel van het goede. Sorry Leah Fritz, ik had zo graag nog meer naar je geluisterd. En als er een camera had gestaan, was het vast een geweldige film geworden. Maar weet je waar ik op hoop? Op een D-Day voor poёzie.

© Arnold Jansen op de Haar
"arnold



Eerdere columns:
Een hond in Londen
Van Gaal en Wurst
Baby King George
De Virgin trein uit Birmingham
Nucleaire gastvrijheid
Vladimir de Viking
Ski-meisje met snor
Feniks
Bericht vanuit de badkuip
Een consequent voornemen
De wet van Nigella
Selfie
Cowboy in het koninkrijk
Een boze filantroop
Oligarch met rode paraplu
Het leven van de anderen
Rumoer in het Tsaar Peterhuisje
Een briefkaart naar huis
Een boze dameskapper
Syrisch voetbal
De man die altijd te laat is
What will survive of us is love
Een Gibraltarese bibliothecaris
Homosympathisant
Hot Pants Harry
Fietsen op tante Corry’s pannenkoeken!
Een klein ongemak
Telefoneren met een buitenaards wezen
Naakt in de balletklas
Het Oeioeioei-drempeltje
Eurovisie
Een oprecht mens
Koning van het volk
Thatchers geheime wapen
Een fietsende jewelier
Eten als de paus
Een dichter met jicht
Een plastic buitenlands paard
Een beetje benauwd
Een katholieke koningin