was successfully added to your cart.

Human Waste

Menselijk afval

June 23, 2014

By Arnold Jansen op de Haar

The first thing we noticed about her was her hat; a black hat with protruding bits. A witch’s hat. This hat moved up and down behind the fence which surrounded the dog-walking area. These pets had to be checked in by drivers who wanted to put their car on the Channel Tunnel train.

I was moving some things to England with the help of D and his white van. We were a bit early, and therefore had some time to spare.

After about half an hour, the woman with the hat had summoned up enough courage to approach us. She told us her story: she was an economist from Chechnya who had sought refuge in Germany. ‘I’m facing discrimination,’ she told us. And now she wanted to travel, as a stowaway, to England with us.

D and I were once in the Special Forces. Well, D a bit more than I. He is a green and a red beret. I was only a red beret, but we are still vigilant types. After a mere three words we started to look around us to check that the Chechnya mafia wasn’t in the process of stealing my personal belongings on the other side of the van.

This didn’t turn out to be the case, but we couldn’t help her either. We asked if she would like a bottle of water. No, she wouldn’t, but looked at us as if we were discriminating Germans. I always find it difficult to look into the face of despair.

That evening, we carried my stuff up four flights of stairs at my sister’s. D said, with an easy chair on his back, ‘You walking too fast, you’re starving your muscles of oxygen.’

After everything had been brought upstairs, we had to take two sofas down. The next day, we would take these to the household waste recycling centre.

On Sunday afternoon, we drove the white van to the waste recycling centre. The white van wasn’t allowed through the gate. So we got out to check with an attendant. This turned out to be a surly person with just one tooth.

‘Vans are not allowed on site during the afternoon,’ he said sternly.
‘We can carry the sofas through the gate, so that we can leave the bus outside,’ I replied pleasantly.
‘Have you gone crazy?’ was written on his face.
‘Is there another way?’ I squeaked.
‘Yes,’ said the attendant with a sigh, ‘near Battersea Power Station,’ and asked if we knew it.
‘Yes, but I don’t have an address, and I need it for the sat nav.’
‘Everyone knows Battersea Power Station,’ he growled. We were wasting his time.
After asking three times, he still wouldn’t give an address. Besides he wasn’t in charge. By now he was almost shouting.
‘Who is in charge?’ I shouted back.
My sister indicated to me to keep calm.
The attendant thought I had made an obscene gesture. I explained to him that I was thinking of putting the sofas in front of the entrance, and that I was pointing to the pavement and therefore wasn’t gripping an imaginary sexual organ.

By chance, we finally located the other waste centre. We drove past a weighbridge into an empty shed. I got out of the van. Suddenly, ‘Get into the car!’ boomed from a loudspeaker. We had to report at the weighbridge.

There, we could talk through an intercom to a man in a small building. For 75 pounds we could dump the sofas, but we had to put on safety vests, and then we were referred to another shed.

Inside it was a smoking pile of stinking rubbish. A man on a mechanical shovel grinned at us. D had donned his safety vest as if it was a Superman cape. We stepped onto a layer of something black that moved and stuck to your soles. ‘The gates of hell,’ flashed through my mind, London’s sewer. It looked as if the white van could be swallowed up at any moment.

Later, as we paid, they told us from behind an armoured door that the previous waste centre could have given us the address. ‘No human organs,’ it said on the notice on the wall.

I thought of the lady from Chechnya, and I very much hoped it would all work out for her.

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press
arnold jansen op de haar

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Previous columns:
D-Day for Poetry
A Dog in London
Van Gaal and Wurst
Baby King George
The Virgin Train from Birmingham
Nuclear Hospitality
Vladimir the Viking
Ski Girl with Moustache
Phoenix
Message From the Bathtub
A Consistent Resolution
Nigella’s Law
Selfie
Cowboy in the Kingdom
An Angry Philanthropist
Oligarch with Red Umbrella
The Lives of Others
Uproar in the Czar Peter House
A Postcard Home
An Angry Ladies’ Hairdresser
Syrian Football
The Man Who is Always Late
What will survive of us is love
A Gibraltarian Librarian
A Gay Sympathiser
Hot Pants Harry
Cycling Sustained by Aunt Corry’s Pancakes!
A Slight Inconvenience
Phoning an Extraterrestrial
Naked in a Ballet Class
The Ouch, Ouch, Ouch Threshold
Eurovision
A Sincere Person
King of the People
Thatcher’s Secret Weapon
A Cycling Jeweller
Eating Like the Pope
A Poet with Gout
A Plastic Foreign Horse
A Bit Sfifling
A Roman Catholic Queen
Het eerste wat we van haar zagen was haar hoed. Een zwarte hoed met uitsteeksels. Een heksenhoed. De hoed bewoog heen en weer achter het hek van een uitlaatveldje voor huisdieren. Die huisdieren moesten worden ingecheckt door automobilisten die met de trein door de Kanaaltunnel wilden.

Ik was samen met D. en zijn witte bus om spullen naar Engeland te brengen. We hadden wat tijd over dus stonden we daar te wachten.

Na een halfuurtje had de vrouw met de hoed moed gevat en stapte ze op ons af. Het verhaal was dat ze als econome uit TsjetsjeniÑ‘ was gevlucht naar Duitsland. ‘Daar word ik gediscrimineerd,’ zei ze. En nu wilde ze als verstekeling met ons naar Engeland.

D. en ik zijn ooit special forces geweest. Nou ja, D. iets meer dan ik. Hij is een groene en rode baret. Ik was slechts een rode. Maar we zijn nog steeds oplettende types. Al na drie woorden keken we om ons heen of de Tsjetsjeense maffia niet aan de andere kant van het busje mijn persoonlijke eigendommen stond te ontvreemden.

Dit bleek niet het geval. Maar helpen konden we haar niet. We vroegen of ze misschien een flesje water wilde. Nee, dat wilde ze niet en ze keek ons aan alsof we Duitsers waren die haar discrimineerden. Ik vind het altijd lastig om zo oog in oog met wanhoop te staan.

’s Avonds hebben we mijn spullen bij mijn zus vier trappen op gesjouwd. D. zei met een fauteuil op zijn rug: ‘Je gaat te snel, dan ga je verzuren.’

Toen alles boven was moesten er nog twee oude banken naar beneden. Die zouden we de volgende dag naar de afvalverwerking brengen.

Op zondagmiddag togen we met de witte bus naar het afval- en recyclingstation. De witte bus kon niet naar binnen. Dus maar even informeren bij een functionaris. Dat was een stug type met één tand.

‘’s Middags laten we geen busjes toe,’ zei hij streng.
‘We kunnen de banken ook zelf naar binnen dragen, dan laten we de bus op straat staan,’ zei ik vriendelijk.
Zijn jullie helemaal gek geworden, zeiden zijn ogen.
‘Is er een andere mogelijkheid?’ piepte ik.
‘Ja,’ zuchtte de functionaris, ‘het Battersea Power Station.’ En hij vroeg of we dat kenden.
‘Ja, maar ik heb geen adres en dat heb ik nodig voor het navigatiesysteem.’
‘Iedereen kent het Battersea Power Station,’ blafte hij. We stonden zijn tijd te verdoen.
Na drie keer vragen kon hij nog geen adres leveren. Bovendien was hij niet in charge. Hij schreeuwde nu bijna.
‘Who is in charge?’ brulde ik terug.
Rustig, rustig, gebaarde mijn zus naar mij.
De functionaris dacht dat ik een obsceen gebaar maakte. Ik legde hem uit dat ik overwoog de banken gewoon voor de ingang te zetten en dat ik naar de stoep wees en dus niet mijn denkbeeldige geslachtsorgaan in mijn hand had.

Op goed geluk vonden we uiteindelijk het andere afvalstation. We reden langs een weegbrug een verlaten loods in. Ik stapte uit. Plots schalde er door een luidspreker: ‘Get in the car!’ We dienden ons te melden bij de weegbrug.

Daar konden we via een intercom praten met een man in een gebouwtje. Voor 75 pond konden we de banken achterlaten. Dan moesten we wel eerst hesjes aan. En we werden vervolgens verwezen naar een andere loods.

Daar lag een rokende puinhoop van stinkend afval. Een man in een shovel grijnsde naar ons. D. had zijn hesje omgedaan als een Supermancape. We stapten in een bewegende zwarte laag die aan je zolen plakte. De poorten van de hel, schoot het door mijn hoofd, het afvalputje van Londen. Het leek alsof de witte bus ieder moment verzwolgen kon worden.

Later bij het afrekenen werd ons vanachter een gepantserde deur verteld dat ze ons bij het andere afvalstation gewoon het adres hadden kunnen geven. ‘Geen menselijke organen,’ stond er op een bordje.

Ik dacht aan de Tsjetsjeense. En ik hoopte heel erg dat ze goed terecht zou komen.

© Arnold Jansen op de Haar
"arnold



Eerdere columns:
D-Day voor poёzie
Een hond in Londen
Van Gaal en Wurst
Baby King George
De Virgin trein uit Birmingham
Nucleaire gastvrijheid
Vladimir de Viking
Ski-meisje met snor
Feniks
Bericht vanuit de badkuip
Een consequent voornemen
De wet van Nigella
Selfie
Cowboy in het koninkrijk
Een boze filantroop
Oligarch met rode paraplu
Het leven van de anderen
Rumoer in het Tsaar Peterhuisje
Een briefkaart naar huis
Een boze dameskapper
Syrisch voetbal
De man die altijd te laat is
What will survive of us is love
Een Gibraltarese bibliothecaris
Homosympathisant
Hot Pants Harry
Fietsen op tante Corry’s pannenkoeken!
Een klein ongemak
Telefoneren met een buitenaards wezen
Naakt in de balletklas
Het Oeioeioei-drempeltje
Eurovisie
Een oprecht mens
Koning van het volk
Thatchers geheime wapen
Een fietsende jewelier
Eten als de paus
Een dichter met jicht
Een plastic buitenlands paard
Een beetje benauwd
Een katholieke koningin