was successfully added to your cart.

I’m Here to Stay

Ik ga hier niet weg

September 14, 2018

by Arnold Jansen op de Haar

For the past four years, I, a Dutchman, have lived among the English. At the moment I live in Malmesbury (Wiltshire) together with my sister, who has been in England for more than thirty years (‘but it doesn’t show’).

Because of the impending Brexit, the English reputation has increasingly deteriorated on the continent, even though they liberated Europe. If push comes to shove, they will do it again. I’m an Anglophile; my doctor assures me it is harmless.

Authentic English people are actually quite hard to find in this town. The town in question is located on the southernmost edge of the Cotswolds: in short, it’s in the South West, where you expect everyone to be dyed-in-the-wool English.

It just so happens that my neighbour on the left is Irish; so too is the one on the right, whose husband hails from Wales. On the corner lives a Scot who is married to a woman from Bangor. If you trace histories down the street you come across people who grew up in Cyprus or are descendants of Polish people who ‘made this country their home’.

Around the corner is an Indian takeaway and, as you know, in this country people from India – after those from Pakistan and Bangladesh – feel the most British. In a nutshell: background-wise it’s a bit of a shambles, but at the same time they are all quintessentially English people, even though a Scot will insist they’re Scottish, people from Ireland are Irish, those from Wales Welsh, etc.

Whatever their background, the English are invariably a bit shy. But they do bring you plums from their garden. At home, the greatest football hooligan is a pussycat. ‘If you want, there’s more!’ Or when they go away on holiday they tell you to please use their parking space. Even when completely legless they still stop to make small talk, albeit with only one leg to stand on, often posing this question: ‘How are you today?’ You’re expected to answer: ‘Not too bad.’ An English person doesn’t exaggerate but also doesn’t complain too much either. They certainly won’t admit to being tipsy.

Occasionally I get the impression that, before going out onto the street, they check there aren’t any strangers around. People like to have a friendly chat with friends and acquaintances, but when confronted with strangers they like to keep their distance. The Englishman’s home is his castle. Townspeople regularly take up position behind their front door window to check if the coast is clear.

It’s not that we’re never invited into our neighbours’ homes, but those visits always have a few awkward moments. They apologise on behalf of their fellow citizens who have voted for Brexit, only to knock over the table with the hot teapot.

People here are so civilised that it causes several traffic problems. For example, you’re driving along a priority road, it’s busy (in this neck of the woods we’re talking about six cars in a queue) and you spot cars waiting to emerge from a side road. The done thing is to use hand signals and flash headlights to invite these cars to fit in. This can lead to minutes of ‘After you’, ‘No, you go first’ – but no one blows their horn.

Here, people thank you with a wave if the road narrows and you make room for oncoming traffic. This has caused many a waving driver to steer into the roadside shrubbery.

There are roundabouts everywhere, in some cases consisting of nothing more than a painted circle. You have right of way once you are on a roundabout, and I once tested English patience by driving twelve times at full speed around the roundabout so that all other cars had to wait. Usually the English remain understanding: ‘He must be lost.’

Further down the road there is a bowls club, where people – the name gives it away – play bowls. This is the British form of the French jeu de boules (but under no circumstances use this term). At official games, when the club flag is raised, participants (kitted out all in white, the club’s dress code), with one foot on the bowls carpet, roll the wood in the direction of the jack or kitty, accompanied by dignified applause from members and opponents.

Well, they’re normally dressed all in white, except during the annual summer carnival when, in aid of charity, they appear in fancy dress costume on the closely cut grass. Recently I encountered a figure dressed as a dog and another one donning a Victorian top hat. Merriment all round, plentiful pints of beer, but this provided no distraction from the serious business of playing bowls. The English keep going whatever the circumstances.

And that’s how I got chatting to another of the spectators. I asked him what he thought about Brexit. A somewhat direct question: rather a Dutch trait.

‘We’ve been playing this game since the thirteenth century’, he said. ‘Well, it could have been the twelfth.’ He sighed. ‘Not exactly on this spot,’ he added, ‘but on this island, I mean. This in contrast to the French petanque, which is much more recent: that really has only been played since 1907. Those French just throw balls around. We roll. In short, we’re not going to give this up any time soon.’ There was nothing to get worried about.

For the coming spring, this keen sailor was planning a sailing trip to France ‘in case I have to pick up my father’. Father was enjoying his retirement but getting worried about the impending Brexit. ‘A second Dunkirk’, chuckled his son.

The local Waitrose supermarket has already adjusted its product range. More and more products are replaced with their own brand and the French wine selection is shrinking.

I think it might well be a very hard Brexit. But I hope I can stay. And I do enjoy cider too.

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press

Arnold reading poetry

Other Columns

Heartbroken
The Brits Are Coming!
Freedom of Lifestyle
A Male Summer

by Arnold Jansen op de Haar

Nu ik als Nederlander reeds zo’n vier jaar tussen de Engelsen woon, thans in Malmesbury (Wiltshire), samen met mijn zus, die reeds meer dan dertig jaar tussen hen woont (‘maar je ziet niets aan haar’), wil ik graag enige bespiegelingen wijden aan het Engelse volk.

De Engelsen worden in Europa vanwege het dreigende Brexit in een steeds kwader daglicht gesteld, terwijl ze toch Europa bevrijd hebben. Als het erop aankomt doen ze dat weer. (Ik ben anglofiel. De dokter zegt dat het geen kwaad kan.)

Authentieke Engelsen zijn hier in het stadje best moeilijk te vinden. We hebben het hier over een plaatsje aan de uiterste zuidrand van The Cotswolds, kortom, in The South West, waar je toch zou verwachten dat iedereen hartstikke Engels is.

Maar het geval wil dat mijn linkerbuurvrouw Iers is. De rechter ook. En haar man komt uit Wales. Op de hoek woont een Schot, die getrouwd is met een vrouw uit Bangor (Noord-Wales). Als men zo verder de straat doorgaat stuit men op types die hun jeugd op Cyprus hebben doorgebracht, of zijn het Polen die ‘na de oorlog zijn blijven hangen’.

Om de hoek is een Indiaas afhaalrestaurant. En zoals u wellicht weet, voelen mensen uit India, na die uit Pakistan en die uit Bangladesh, zich van alle mensen in dit land het meest Brits. Kortom: qua Engelsen is het een zootje, maar ze zijn ondertussen allemaal zo Engels als de pest. Al zegt de Schot dat hij Schot is, de Ieren Iers, de mensen uit Wales Welsh etc.

Waar ze ook vandaan komen, Engelsen zijn allemaal een beetje verlegen. Maar ze komen je wel pruimen uit hun tuin brengen. De grootste voetbalhooligan is thuis een mak schaap. ‘Als je wil, hebben we er nog meer!’ Of je kunt, als ze met vakantie zijn, gerust hun parkeerplaats gebruiken. En ook al zijn ze toeter lampion (dronken), dan nog blijven ze als je ze tegenkomt, desnoods op één been, staan om een praatje te maken, dat immer begint met de vraag: ‘How are you today?’ Waarop men hier pleegt te antwoorden: ‘Not too bad.’ De Engelsman overdrijft niet, maar hij gaat ook niet klagen. En zeker niet toegeven dat hij dronken is.

Soms heb ik de indruk dat men voordat men de deur verlaat eerst kijkt of er zich geen onbekende in de straat bevindt. Men mag dan altijd vriendelijk een praatje beginnen met vrienden en bekenden, tegenover vreemden kijkt men liever de kat uit de boom. De Engelsman is erg op zichzelf. Regelmatig ziet men stadsgenoten achter het raampje van hun voordeur opgesteld staan of de kust veilig is.

Niet dat we hier nooit bij buren worden uitgenodigd, maar bij die bezoeken gaat het ook altijd heel onhandig toe. Men verontschuldigt zich tegenover de buitenlander dat de landgenoten voor Brexit gestemd hebben en stoot en passant een tafeltje met hete thee om.

De mensen zijn hier zo beschaafd dat dit voor allerlei problemen in het verkeer zorgt. Je rijdt bijvoorbeeld op een voorrangsweg, het is druk (dat betekent hier zes auto’s achter elkaar) en je ziet op een zijweg twee auto’s wachten. Dan is het de bedoeling dat je met lichtsignalen en handbewegingen die auto’s ertussen laat. Dit kan tot een minutenlang ‘na u’ ‘nee, na u’ leiden. En niemand gaat toeteren.

Ook zwaait men hier naar elkaar als de weg iets smaller is en men elkaar als tegenliggers ruimte geeft. Ik heb menig automobilist op deze wijze zwaaiend in het struikgewas zien verdwijnen.

Het barst hier van de kleine rotondes (soms niet meer dan een stip). Op die rotondes heb je voorrang. Ik heb weleens het geduld van de Engelsen getest door twaalf keer keihard die rotonde rond te rijden, opdat alle auto’s moesten wachten. Engelsen blijven dan doorgaans uiterst begripvol. (‘Hij is zeker de weg kwijt.’)

Hier verderop is een Bowls Club, waar men dus, de naam zegt het al, bowls speelt. Dat is een Britse vorm van jeu de boules (maar gebruik dat woord nooit), waarbij de deelnemers bij officiÌÄåÇle wedstrijden en wanneer men de clubvlag heeft gehesen, op clubvoorschrift in het wit gekleed gaan en hun bal (the ‘wood’), met één voet op een kleedje, onder beschaafd applaus van clubgenoot en tegenstander, richting het doelballetje (the ‘jack’ or ‘kitty’) rollen.

Men is dus in het wit gekleed, behalve bij het jaarlijkse zomercarnaval, wanneer men zich voor het goede doel verkleed op het strak geschoren grasveld begeeft. Zo kon men laatst een figuur aantreffen die verkleed was als hond en een ander had een Victoriaanse hoge hoed op zijn hoofd geplaatst. Er heerste grote vrolijkheid, inclusief pinten bier, maar dat deed niet af aan het feit dat men ondertussen het bowlen uiterst serieus bleef beoefenen. Engelsen gaan altijd onder alle omstandigheden door.

En zo kwam ik in gesprek met een andere toeschouwer. Ik vroeg hem wat hij vond van Brexit. Een nogal rechtstreekse vraag die alleen maar een Nederlander kan stellen.

‘We spelen hier al bowls sinds de dertiende eeuw,’ zei hij. ‘Kan ook de twaalfde zijn.’ Hij zuchtte. ‘Niet hier,’ voegde hij eraan toe, ‘maar op dit eiland, bedoel ik. In tegenstelling tot het Franse petanque, dat veel jonger is, en eigenlijk pas sinds 1907 beoefend wordt. Die Fransen werpen maar wat. Wij rollen. Kortom,’ zo besloot hij zijn betoog: ‘dat blijven we dus nog wel een tijdje doen.’ Er was niets om ons zorgen over te maken.

Als verwoed zeiler heeft hij in het voorjaar een zeiltocht naar Frankrijk gepland ‘om eventueel vader op te halen’. Vader blijkt daar van zijn oude dag te genieten maar begint zich zorgen te maken over het naderende Brexit. ‘Een tweede Duinkerken,’ grinnikte zijn zoon.

Bij de plaatselijke Waitrose supermarkt wordt het assortiment ook al aangepast. Steeds meer produkten worden vervangen door huismerken en er is steeds minder Franse wijn.

Het wordt vast een keiharde Brexit. Als ik maar mag blijven. En cider is ook best lekker.

© Arnold Jansen op de Haar

Arnold reading poetry

Andere Columns

Liefdesverdriet
De Britten komen!
Vrijheid van levensstijl
Een mannelijke zomer