was successfully added to your cart.

Mother & Son

Moeder & Zoon

April 26, 2011

By Arnold Jansen op de Haar

It is not always such a bad idea to hide in a kitchen cupboard, especially not when a doctor has just told your mother the results of an important medical test.

A BBC programme about people’s peculiarities will be produced in a Dutch version, it was announced last week. The British series showed, among other people, a woman who likes to hide in small places such as her own kitchen cupboard. It is that my kitchen cupboards can’t take my weight, otherwise last week I too would have disappeared into one.

The first indications at the hospital were not good; the lovely red-headed nurse (with freckles!) we came across on our first visit wasn’t there. In spite of her diminishing eyesight, my mother had remarked, ‘A pert girl.’ (Mothers don’t miss much.)

Similarly my mother (aged 86) and my aunt (aged 84) maintain, ‘Your looks keep improving.’

For the first time in my life I attended my mother’s medical examination. It used to be the other way around. At fourteen I was fitted with support insoles. In those days it was trendy; suddenly everyone had flat feet. Mothers are the first to spot this and so my mother accompanied me.

This time my mother was grateful I was at the examination. I got answers to all my questions. ‘You’re just like your father,’ she said as we walked out, squeezing my arm.

We were waiting for the results in a room full of old people. There was little reading material, not even an issue of Doctor & Car magazine. Shortness of breath filled the air. Outside, the weather was glorious; inside, neon light reigned supreme. Quite a few sons and daughters had come along, obviously thinking: after this generation it is our turn.

A woman said to her neighbour, ‘She has eighty relatives and now they’ve hired a big boat with pancakes for her birthday. Afterwards everyone will drive home in their own cars.’

It reminded me of my mother’s and aunt’s friend who recently, at the age of 105, choked to death on a pancake in a pancake restaurant.

I moved along vigorously so at least they wouldn’t think I was about to come down with something, because I avoid doctors like the plague.

This is not the place to paint a picture of my mother’s symptoms because my brother-in-law will acquire them if he reads this. (My brother-in-law is a moving affliction.)

Finally we were called in. I gave the doctor the clammiest handshake ever. Out of nervousness I said, ‘We already know the score.’ After all, I had witnessed the examination. The doctor looked up rather ruffled; patently we were not meant to know it all already. ‘But of course it’s over to you,’ I continued swiftly.

He was considerate when breaking the bad news. My mother was very brave and answered calmly, ‘I enjoy living and I intend to continue for a bit.’ Obviously she began telling him about her children and grandchildren.

Still, it seemed that the doctor had expected a bit more emotion, or maybe I shouldn’t have been at the examination. In any case, when we left he only addressed us by the first part of our surname. My aunt murmured, ‘When we came in he did remember it.’

I would have loved to tell the doctor, ‘Luckily you too will die some time and I hope they will at least pronounce your full name.’ However, you don’t do this, the man is simply doing his job; and besides, my mother has to go back for a check-up in three months’ time.

After the results we immediately went out to lunch on the loveliest terrace in the city. ‘Isn’t it glorious?’ my mother remarked.

I wish I was small again. I would lock myself into a kitchen cupboard only to hear my mother’s reassuring voice, ‘Where are you hiding? I’m coming to find you now.’ She obviously knows all along where I am.

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press

You can leave your comment on our forum.

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Previous columns:

An Altruistic Writer

Soms is het helemaal niet gek om in een keukenkastje te gaan zitten. Bijvoorbeeld als een dokter je moeder net de uitslag heeft gegeven van een belangrijk onderzoek.

Vorige week hoorde ik dat een BBC-programma over menselijke eigenaardigheden een Nederlandse versie zal krijgen. De Britse versie toonde onder andere een vrouw die graag in kleine ruimtes zit, zoals in haar eigen keukenkastje. Mijn keukenkastjes zijn niet op mijn gewicht berekend, anders was ik er afgelopen week ook in gaan zitten.

In het ziekenhuis waren de voortekenen niet goed. De leuke roodharige verpleegster (met sproetjes!) die bij een eerder bezoek nog wel rondliep, was er nu niet. Ondanks het feit dat mijn moeder niet helemaal goed meer ziet, zei ze toen: ‘Een kittig type.’ (Voor moeders kun je niets verbergen.)

Zoals mijn moeder (86) en mijn tante (84) ook steeds tegen me zeggen: ‘Jij wordt steeds knapper.’

Voor het eerst in mijn leven was ik bij een medisch onderzoek van mijn moeder. Vroeger was dat andersom. Ik was veertien en kreeg steunzolen. Dat was toen in. Iedereen had opeens doorgezakte voeten. Moeders zien dat als eerste. Dus mijn moeder ging mee.

Nu was mijn moeder dankbaar dat ik bij het onderzoek was. Ik liet me alles uitleggen. ‘Je bent net je vader,’ zei ze toen we wegliepen en ze kneep in mijn arm.

Bij de uitslag zat de wachtkamer vol oude mensen. Er was weinig te lezen. Zelfs geen exemplaar van het tijdschrift Arts & Auto. De kortademigheid hing in de lucht. Buiten was het schitterend weer. Hier heerste alleen tl-licht. Er waren meer zonen en dochters meegekomen. En die zag je allemaal denken: dit is de laatste generatie voor wij aan de beurt zijn.

Een vrouw zei tegen haar buurvrouw: ‘Ze heeft tachtig familieleden en nu hebben ze voor haar verjaardag een grote pannenkoekenboot gehuurd. Daarna gaat iedereen weer met zijn eigen auto naar huis.’

Ik moest denken aan een vriendin van mijn moeder en tante. Die is onlangs op 105-jarige leeftijd in een pannenkoekenhuis gestikt in een pannenkoek.

Ik liep zo energiek mogelijk rond. Dat ze tenminste niet zouden denken dat ik iets onder de leden had. Want ik mijd dokters als de ziekte.

Ik ga hier niet het ziektebeeld van mijn moeder bespreken. Want als mijn zwager dit leest heeft hij het ook. (Mijn zwager is een wandelende aandoening.)

Eindelijk mochten we naar binnen. Ik gaf de dokter de meest klamme hand aller tijden. ‘We weten alles al,’ zei ik van de zenuwen. Ik had tenslotte het onderzoek gezien. De dokter keek verstoord op. Dat is natuurlijk niet de bedoeling: dat je alles al weet. ‘Maar ik laat het helemaal aan u over,’ zei ik snel. 

Hij bracht het slechte nieuws netjes. Mijn moeder reageerde moedig. Heel rustig zei ze: ‘Ik leef graag, en dat ga ik nog een tijdje doen.’ En natuurlijk begon ze te vertellen over haar kinderen en kleinkinderen.

Toch leek het of de dokter had gedacht dat we iets meer emotie zouden tonen. Of misschien had ik dat onderzoek niet mogen zien. Bij het verlaten van de kamer sprak hij in elk geval slechts het eerste deel van onze achternaam uit. ‘Bij binnenkomst wist hij het nog wel,’ mompelde mijn tante.

Het liefst had ik tegen de dokter gezegd: ‘Gelukkig gaat u zelf ook een keer dood. Ik hoop dat ze uw naam dan wel volledig uitspreken.’ Maar dat doe je niet. Die man doet ook gewoon zijn werk. En bovendien moet mijn moeder over drie maanden terug voor controle.

Na de uitslag zijn we onmiddellijk naar het allerleukste terras van de stad gegaan om te lunchen. ‘Wat is het hier schitterend,’ zei mijn moeder.

Was ik maar weer heel klein. Ik zou me opsluiten in een keukenkastje. En dan zou ik weer die geruststellende stem van mijn moeder horen: ‘Waar ben je? Ik ga je zoeken, hoor.’ Ze weet natuurlijk allang waar ik zit.

© Arnold Jansen op de Haar

U kunt reageren op ons forum.

Eerdere columns:
Voorbij de waanzin