was successfully added to your cart.

Nuclear Hospitality

Nucleaire gastvrijheid

March 23, 2014

By Arnold Jansen op de Haar

Nuclear Hospitality

Recently, I had to go to the pharmacy. There is always a bowl of liquorice on the counter. Customers who have to wait are allowed to take a piece of liquorice. Most people do; after all, it’s free. I never take one; I’m in a pharmacy, people who go there are ill.

For example, someone with diarrhoea may have been there just before you, sticking their fingers into the bowl. Is this a typically Dutch phenomenon, a bowl of sweets on the counter for anyone to grab?

Another phenomenon is the behaviour of the queue at the checkout in a Dutch supermarket. When the queue gets too long, the checkout person requests on the public address system: ‘Can we have another checkout?’ When the extra till opens, something interesting happens. In most countries, they would politely check who is next in line. Not so in the Netherlands: half the queue dashes for the second checkout, only to get involved in something resembling a fight.

The behaviour of Dutch road users is on the whole exemplary. That is, if we’re talking about car users. The cycling experience is best described as a combination of a Western and the last three kilometres of a stage in the Tour de France.

Traffic rules are ignored on principle: they are an irritation. This behaviour regularly results in clashes between bicycles. If someone makes a mistake, the accepted rule is that this person receives a torrent of abuse.

The other day, I made a traffic mistake. Someone on a racing bike wanted to overtake me at high speed. I hadn’t heard him coming, and I was just about to turn left in order to park my bike on the opposite side of the road. ‘Watch where you’re going!’ the man shouted, raising his fist. ‘Sorry,’ I croaked, but this wasn’t enough. A bit further on he stopped and eyed me threateningly. I’m not John Wayne, so I shouted once again: ‘Sorry!’ And I gave my friendliest smile. I even risked a wave. Luckily the man cycled on, though not without shaking his head.

In Dutch catering, too, hospitality and attentiveness are in short supply, to such an extent that a visiting South African author told me: ‘Your beer glasses are amazingly small!’ And because we had to wait rather a long time for our second order: ‘Is the service always this bad?’ ‘No,’ I had to answer, ‘normally it’s even worse.’ 

Recently, I took my writing students to a new café. It wasn’t busy and we occupied a large table. Good for business, you would think. One of the students decided to order a round of Dutch canapés called ‘bitterballen’. She asked, ‘How many are there in one portion?’ ‘Eight,’ the waiter replied. ‘Well, I’ll go for two then,’ she replied. The bitterballen arrived and there were only fourteen. The waiter noticed that we were somewhat surprised. ‘Sorry,’ he said, ‘there are only seven in a portion according to the menu!’

Well, it’s not a big deal, fourteen instead of sixteen, but in many countries the waiter would have added two bitterballen. The Dutch follow the rules: it’s on the menu. What is more, the staff don’t seem to consider themselves to be waiters. It later transpired that the company recruits its staff from the local art school. It’s supposed to make the café cool. Next time, I’ll suggest to the waiter: ‘Just add two bitterballen in paint.’

A nuclear security summit is to take place shortly in the Netherlands. Quite a few heads of government will travel to the Netherlands to discuss the prevention of nuclear terrorism. Now, I hope none of these heads of government will take a piece of liquorice in my pharmacy, join a queue in the local supermarket, go for a bike ride or visit a local café unaccompanied. Before you know it, we’ll be facing a nuclear attack. 

© Arnold Jansen op de Haar
©  Translation Holland PArk Press

arnold jansen op de haar

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Laatst moest ik bij mijn apotheek zijn. Daar staat altijd een bakje drop op de balie. Klanten die wachten mogen een dropje nemen. Veel mensen doen dat. Het is tenslotte gratis. Ik doe dat nooit. Je bent in een apotheek. Mensen die daar komen zijn ziek.

Ze hebben bijvoorbeeld diarree en hebben net voor jou met hun vingers in het bakje gezeten. Zou dat een typisch Nederlands fenomeen zijn, een bakje snoep waar iedereen in graait op de balie?

Het gedrag in de rij bij de kassa van een Nederlandse supermarkt is een ander fenomeen. Als de rij te lang wordt roept de caissière door een omroepsysteem: ‘Kassa bij draaien!’ Als die extra kassa opengaat gebeurt er iets wonderlijks. In de meeste landen zou men netjes kijken wie het eerst aan de beurt is. Zo niet in Nederland. De halve rij sprint naar die tweede kassa, waar vervolgens een kleine worsteling ontstaat.

Het gedrag op de weg is in Nederland doorgaans voorbeeldig. Met de auto dan. Op de fiets ontstaat er iets wat je het best zou kunnen omschrijven als een combinatie van een wildwestfilm en de laatste drie kilometer in een etappe tijdens de Tour de France.

In principe negeert men de verkeersregels. Verkeersregels zijn maar lastig. Dit gedrag zorgt ervoor dat fietsers elkaar regelmatig in de wielen rijden. Als iemand een fout maakt is het de usance dat men die persoon eventjes verrot scheldt.

Laatst maakte ik zelf een fout in het verkeer. Iemand op een racefiets wilde me met hoge snelheid passeren. Ik had hem niet horen aankomen. Ik wilde net op dat moment linksaf slaan om mijn fiets aan de overkant van de weg te parkeren. ‘Uitkijken, vriend!’ riep de man en hij balde zijn vuist. Ik piepte ‘sorry’. Dit bleek echter niet voldoende. Hij stopte iets verderop en keek dreigend om. Ik ben geen John Wayne dus riep ik nogmaals: ‘Sorry!’ En ik glimlachte zo vriendelijk mogelijk. Ik zwaaide er nog even bij. De man fietste gelukkig door. Hoofdschuddend, dat wel.

Ook in de Nederlandse horeca zijn gastvrijheid en voorkomendheid niet de grootste deugden. Zodanig dat een Zuid-Afrikaanse schrijfster die hier op bezoek was tegen me zei: ‘Wat zijn die biertjes hier klein!’ En omdat we lang moesten wachten op een tweede consumptie: ‘Is die service bij jullie altijd zo slecht?’ ‘Nee,’ moest ik antwoorden, ‘meestal is het nog slechter.’

Laatst zat ik met de cursisten van mijn schrijfgroep in een nieuw etablissement. Het was niet druk en wij vulden een grote tafel. Goede klandizie, zou je zeggen. Een van de cursisten besloot een portie bitterballen voor de groep aan te schaffen. ‘Hoeveel zijn het er?’ vroeg ze. ‘Acht,’ antwoordde de ober. ‘Doe dan maar twee porties?’ zei ze. De bitterballen kwamen. Het waren er veertien. De ober zag ons enigszins verbaasd naar de schalen kijken. ‘Sorry,’ zei hij, ‘op de kaart staat zeven per portie!’

Nou maakt het natuurlijk weinig uit of het er veertien of zestien zijn, maar in veel landen zou de ober toch die twee bitterballen hebben toegevoegd. In Nederland houdt men zich aan de regels. Het staat op de kaart. Bovendien kijkt het personeel met een blik van: eigenlijk ben ik helemaal geen ober. Later bleek dat het etablissement al zijn personeel rekruteert onder studenten van de kunstacademie. Dat zou de zaak een hip aanzien geven. Volgende keer zal ik tegen de ober zeggen: ‘Schilder die twee ballen er maar bij.’

Binnenkort wordt er in Nederland een nucleaire top gehouden. Tientallen regeringsleiders komen naar Nederland om te praten over de bestrijding van nucleair terrorisme. En nou hoop ik dat geen van die regeringsleiders een dropje pakt in mijn apotheek, in de rij gaat staan bij een supermarkt, de fiets pakt of op eigen houtje een horecagelegenheid bezoekt. Voor je het weet hebben we een atoombom op ons dak.

© Arnold Jansen op de Haar