was successfully added to your cart.

Oligarch with Red Umbrella

Oligarch met rode paraplu

November 14, 2013

By Arnold Jansen op de Haar

Last week I visited an exhibition in London. The house was located in Mayfair and nothing showed on the outside. My female companion and I stood on the doorstep in the pouring rain. The door opened before we had managed to ring the bell.

A man wearing an earphone waved us inside. He quickly closed the door, but not before looking to the left and right. ‘That’s the last the world will see of us,’ I said to my companion.

Three people got to their feet to take our coats as well as our dripping wet folding umbrella. After being passed on three times, the coats were hung on a tiny clothes rack next to seven other coats. The tiny umbrella was dropped on the floor. We were given numbers to show when collecting our coats.

We didn’t have to present our personalised tickets, just give our names. They were checked against a list. A friendly couple had got us onto this list. We still had one hour and a quarter to look at everything.

The man with the earphone directed us to a tiny corridor and pointed out the lift. ‘It’s on the second floor,’ he said, as if revealing a secret. Two Russian ladies of indeterminate age joined us. The man with the earphone spoke into his mike: ‘Four more coming up.’

The lift, too, was tiny. One of the Russian women had a small wart on her upper lip. I had a clear view, because I was stuck between her breasts. Upstairs there was yet again a small corridor. A door opened wide, revealing another man with an earphone. He greeted us sternly, but amicably, in Russian. ‘Dobry den,’ I mumbled like an aspiring oligarch.

The exhibition venue consisted of two rooms, one a sort of living room but without any furniture, and a small side room. The spotlights were so strong that my companion, who is even shorter than me, only saw the pictures in a kind of permanent flashlight. But under these spotlights hung ‘Van Gogh in Paris’: a number of works by the master himself plus paintings by other famous impressionists, contemporaries of Van Gogh when he was in Paris.

It was splendid. ‘Why isn’t there a big banner on the front of the building saying Van Gogh in Paris?’ I asked my diminutive companion, who, by then, I had nicknamed minigarch. ‘Maybe they just want to sell something,’ she said, ‘but very discreetly.’ The centrepiece of the exhibition came from the collection of the De Boer family in Amsterdam. If I had only one of those paintings, I thought, and checked my shoes. They were the only decent pair I possessed.

I figured that the other eleven guests were spouses of oligarchs. A few were still being rebuilt.

Back downstairs, we retrieved our coats after a bit of a search. ‘And we had a small red umbrella,’ my companion remarked. A red specimen was found down at the bottom of the umbrella stand. ‘But this isn’t my umbrella!’ exclaimed my companion, scrutinising the battered exemplar. In the meantime, the rain outside had turned torrential. ‘One of the oligarchs has nicked your umbrella,’ I whispered.

General consternation, but we finally all agreed that we could take the battered thing home.

We hurried to a nearby brasserie. My only pair of good shoes was stained white.

The seats in the brasserie were so high that our feet didn’t touch the floor. ‘It’s to accommodate very tall oligarchs,’ I said to the minigarch.

A couple of lusty, platinum blonde, mature Russian women sat at the table next to us with two young men who, I thought, looked like gigolos. They had the sort of hairdo sported by many Dutch TV presenters, and by Jonathan Ross. I did check whether they were carrying a red folding umbrella.

And I thought about Van Gogh; there is an affinity with a fellow pauper. ‘You’ve come a long way, young man,’ I muttered. 

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press

arnold jansen op de haar

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Previous columns:
Vorige week bezocht ik een tentoonstelling in Londen. Het huis lag in de wijk Mayfair. Van buiten was niets te zien. In de stromende regen stonden mijn vrouwelijke metgezel en ik voor de deur. Nog voor we konden aanbellen werd die geopend.

Een man met een oortje in gebaarde ons naar binnen. Hij keek nog even links en rechts de straat in en sloot toen snel de deur achter ons. ‘Hier vinden ze ons nooit terug,’ zei ik tegen mijn metgezel.

Drie personen schoten overeind om onze jassen aan te pakken, alsmede het van regen druipende parapluutje. Die jassen werden, nadat ze eerst drie keer waren doorgegeven, op een heel klein kapstokje gehangen bij de andere zeven jassen. Het parapluutje werd op de grond gelegd. En we kregen nummertjes voor als we onze jassen weer kwamen ophalen.

De kaarten die op onze naam waren gesteld hoefden we niet te laten zien. We hoefden slechts onze naam te noemen. Die werd op een lijst gecontroleerd. Een bevriend echtpaar had ervoor gezorgd dat we daar op stonden. We hadden nog een uur en een kwartier om alles te bekijken.

De man met het oortje in gebaarde ons naar een piepkleine gang en wees naar de lift. ‘Het is op de tweede verdieping,’ zei hij geheimzinnig. Twee Russische dames van onbestemde leeftijd voegden zich bij ons. De man met het oortje sprak in een zendertje: ‘Er komen er weer vier.’

Ook de lift was heel klein. Een van de Russische vrouwen had een wratje op haar bovenlip. Dat kon ik goed zien omdat ik tussen haar borsten zat geklemd. Boven kwamen we weer in een smalle gang. Een deur vloog open. Nog een man met een oortje. Deze begroette ons streng maar vriendelijk in het Russisch. ‘Dobry den,’ mompelde ik als kandidaat-oligarch.

De tentoonstellingsruimte bestond uit twee kamers, een soort van huiskamer zonder meubilair en nog een kleine zijkamer. De belichting was zo fel dat mijn metgezel, die nog een stuk kleiner is dan ik, de schilderijen slechts in een permanent flitslicht heeft gezien. Maar in die belichting hing ‘Van Gogh in Paris’: een aantal werken van de meester zelf en van een aantal andere beroemde impressionisten uit Van Goghs tijd in Parijs.

Het was schitterend. ‘Waarom hangt er niet een heel groot spandoek op het gebouw met Van Gogh in Paris?’ vroeg ik mijn kleine metgezel, die ik inmiddels tot minigarch had omgedoopt. ‘Misschien willen ze alleen iets verkopen,’ zei ze, ‘maar dan discreet.’ Het topstuk kwam uit de collectie van de familie De Boer uit Amsterdam. Had ik maar één zo’n schilderij, dacht ik en ik keek naar mijn schoenen. Het enige paar goede schoenen dat ik heb.

De andere elf bezoekers waren echtgenotes van oligarchen, schatte ik zo in. Sommigen zaten nog in een verbouwing.

Weer beneden kregen we onze jassen na enig zoeken terug. ‘En nu nog een rood parapluutje,’ zei mijn metgezel. Helemaal onderin een paraplubak werd een rood exemplaar gevonden. ‘Maar dat is mijn parapluutje niet!’ riep mijn metgezel, die het kapotte exemplaar van alle kanten bekeek. Buiten was de regen inmiddels overgegaan in een wolkbreuk. ‘Een van de oligarchen heeft jouw parapluutje gejat,’ fluisterde ik.

Consternatie alom, maar met algemene stemmen werd uiteindelijk besloten dat we dan maar het kapotte exemplaar mee zouden nemen.

We spoedden ons naar het dichtstbijzijnde etablissement. Mijn enige paar goede schoenen sloeg wit uit.

Het meubilair van het etablissement was zo hoog dat je niet met de voeten bij de grond kon. ‘Dit is voor hele grote oligarchen,’ zei ik tegen de minigarch.

Aan de tafel naast ons zaten een paar struise platinablonde oudere Russinnen en twee jongens in wie ik gigolo’s meende te zien. Met van dat haar dat je veel bij Nederlandse televisiepresentatoren ziet, en Jonathan Ross. Ik heb nog even gekeken of ze een rood parapluutje bij zich hadden.

En ik dacht aan Van Gogh. Als armlastig type voel je een band. ‘Je bent een eind gekomen, jongen,’ prevelde ik.

© Arnold Jansen op de Haar