was successfully added to your cart.

Olympic Buttocks

Olympische billen

February 24, 2012

By Arnold Jansen op de Haar

In Aigle, Switzerland, the Frenchman Robert Marchand recently set the cycling world hour record for riders over one hundred years old. He finished at 24.25 kilometres. This made me want to interview this man and it reminded me of The 100-year-old, a short story by the Dutch author Godfried Bomans (1913–1971).

Bomans describes entering the house. ‘Is your father at home?’ I asked the old man who opened the door. Bomans is taken to a room with an even older man in it and begins shouting congratulations into this man’s ear. ‘You’ve got it wrong,’ the old man said in a lack-lustre voice, ‘father is upstairs.’ I ran up the stairs because I understood there wasn’t a second to lose. The one-hundred-year-old was on the rings doing his gymnastic exercises.

As a young man Robert Marchand dreamed of a glittering cycling career, but it wasn’t until he turned 78 that he was able to beat his contemporaries.

Older men never feel ashamed. I remember a triathlon during which an elderly Belgian teetered across the finish line. He immediately had to be supported by three men, but he managed to shout at the reporter: ‘I’m feeling good, I’m feeling good, I’m still quite fit!’

Triathlon participants tend to wear tight-fitting outfits. The sort of clothing that shows whether men’s private parts are on the left or right, and reveals every muscle, which is not always such a delight. Occasionally it makes me hanker after the Middle Ages, when most sports required wearing armour.

It starts when you are a youngster; I don’t think you should put anorexic teenagers in tight gymnasts’ outfits. These costumes used to be plain but nowadays they are made of glossy Lycra. Often there is a slightly creepy coach watching from the sidelines. When, sitting in front of the telly, I see such a trainer consoling a young female gymnast after she has fallen off a piece of apparatus yet again, I feel like hitting the man.

Dutch speed skaters, too, are kitted out in strange attire, especially at the back, with the orange tapering towards the buttocks. It reminds me of skating baboons.

Or take table tennis: its players have sunken eyes. However young they may be, there are dark bags under their eyes, and before serving a table tennis player looks like a patient on the brink of a nervous breakdown.

Rather sadly, this misery is no longer limited to youngsters: you come across it when walking down the street. My view is that, the moment you realise you’ve missed your chance of appearing at the Olympic Games, you should give up sport. Yet we live in a sport-loving culture: if you can’t run any more, you take up walking.

President Kennedy once wondered if his staff could walk 50 miles in 20 hours. His brother Robert was the only one to manage it, but he said to the last one to quit, at 35 miles: ‘You’re lucky, your brother isn’t President of the United States.’ Kennedy marches are still organised.

This week I came across some participants in the local Kennedy march. You could see them coming from a distance; they were on their last kilometre, it later transpired. Most of the walkers were swinging their arms in an uncontrolled way, some were limping, and just a few managed to say hello with a final effort. At first I thought someone had let some patients out of a closed psychiatric ward.

The London Olympics are approaching; once again I will enjoy watching female swimmers with shoulders that are just too wide, female weightlifters with a moustache and the beautiful competitors in the heptathlon. But please don’t walk down the street dressed like this.

Apparently I have quite good buttocks – in fact, you could consider them Olympic buttocks. I don’t show them in public, though; even better, I sit on them a lot. Wonderful!

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press

You can leave your comment on our forum.

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Previous columns:
De Fransman Robert Marchand vestigde onlangs in het Zwitserse Aigle een werelduurrecord op de fiets in de leeftijdscategorie van honderd jaar en ouder. Hij kwam tot 24,25 kilometer. Ik kreeg ontzettend zin om de man te interviewen. En ik moest aan De 100-jarige denken, een verhaal van Godfried Bomans (1913-1971).

Bomans beschrijft hoe hij wordt binnengelaten. ‘Is vader thuis?’ vroeg ik aan het oude mannetje, dat open deed. Hij wordt naar een kamer geleid met een nog ouder mannetje en schreeuwt de felicitaties in zijn oor.‘U bent abuis,’ zei de oude man met doffe stem, ‘vader is boven.’ Ik vloog de trap op, want ik begreep dat het nu een kwestie van seconden was. Daar hing de honderdjarige aan de touwen: hij was bezig een vogelnestje te maken.

Robert Marchand droomde als jongeman van een glanzende wielercarrière. Pas op zijn 78ste bleek hij beter dan zijn leeftijdsgenoten.

Oudere mannen schamen zich nergens voor. Ik herinner mij een triatlon waarbij een oude Belg waggelend over de finish kwam. Hij moest onmiddellijk door drie man ondersteund worden maar slaagde er nog in tegen de verslaggever te roepen: ‘Voel me goed, voel me goed, ben niet kapót!’

Bij de triatlon draagt men doorgaans strakke kleding. Kleding waarin je kunt zien of men links- of rechtsdragend is. Elke spier wordt getoond. En dat is niet altijd een genoegen. Soms verlang ik hevig terug naar de middeleeuwen. Bij de meeste sporten was een harnas vereist.

Het begint al in de jeugd. Ik vind dat je pubers met anorexia niet in een te strak turnpakje moet stoppen. Vroeger waren die pakjes nog dof maar de laatste jaren zijn ze opeens glanzend. Meestal staat er een hele foute trainer langs de kant. Wanneer zo’n trainer de turnster in zijn armen sluit als ze weer eens van een toestel is gevallen, krijg ik zittend voor de tv zin om hem te slaan.

Ook de Nederlandse wedstrijdschaatsers dragen een raar pak, vooral aan de achterzijde, met die oranje uitloop op de billen. Ik moet altijd aan schaatsende bavianen denken.

Of neem tafeltennis. Tafeltennissers hebben diepliggende ogen. En hoe jong ze ook zijn, onder die ogen bevinden zich donkere wallen. Voor elke opslag ziet de tafeltennisser eruit als een patiënt met een naderende zenuwaanval.

Helaas beperkt deze ellende zich niet alleen meer tot de jeugd. En je ziet het gewoon midden op straat. Persoonlijk sta ik op het standpunt dat als er geen kans meer is dat je de Olympische Spelen haalt, je ook niet meer moet sporten. Maar we leven in een sportcultuur. Kun je niet meer hardlopen, dan ga je wandelen.

President Kennedy vroeg zich ooit af of zijn staf binnen 20 uur 50 mijl (80,467 km) kon lopen. Alleen zijn broer Robert haalde het. Tegen de laatste die na 35 mijl afhaakte zei Robert Kennedy: ‘You’re lucky, your brother isn’t President of the United States.’ (‘Jij hebt geluk dat jouw broer geen president van de Verenigde Staten is.’) Tot op de dag van vandaag worden die Kennedymarsen georganiseerd.

Van de week zag ik de deelnemers aan de lokale Kennedymars. Vanuit de verte naderden ze. Ze zaten in hun laatste kilometer. Maar dat bleek later pas. De meeste wandelaars zwaaiden ongecontroleerd met hun armen. Sommigen trokken met een been. Een enkeling mompelde met een laatste krachtsinspanning een groet. Eerst dacht ik nog dat iemand de patiënten uit de gesloten afdeling van een psychiatrische inrichting had losgelaten.

De Olympische Spelen van Londen naderen. Ik ga weer genieten van zwemsters met te brede schouders, vrouwelijke gewichtheffers met een snor en de mooie meisjes van de zevenkamp. Maar ga alsjeblieft zelf niet zo gekleed over straat.

Ik schijn best goede billen te hebben. Zeg maar gerust: olympische billen. Ik toon ze alleen niet in het openbaar. Sterker nog: ik zit nogal veel op die billen. Heerlijk!

© Arnold Jansen op de Haar

U kunt reageren op ons forum.

Eerdere columns: