was successfully added to your cart.

Phoenix

Feniks

February 7, 2014

By Arnold Jansen op de Haar

The anthology was prominently displayed in the bookshop. Quickly, I scanned the contents pages under J for Jansen op de Haar. Damn it, I wasn’t in it. Yet, at the same time, I realised that this could provide opportunities. Appearances as ‘The Poet They Left Out’ on radio and TV. Enough to make me break into a celebratory dance.

The Turing Poetry Contest, in association with Van Gennep Publishers, had put together a collection of the hundred best poems from the Turing Prize. They had informed me; I should be in it. And I could win the first prize.

Everyone could enter: both amateurs and professionals. This year, they had received nearly 10,000 poems.

My nominated poem continues to be a borderline case in my new collection. Yes, it was a very special poem, but particularly for me and my sister. I wrote it five years ago in just five minutes and emailed it to my sister. She was then on the point of quitting her job as a company director to found the publishing company Holland Park Press. For the past five years, this poem has been hanging on the wall above her desk. It happened to be just the right length for the competition, so I entered it.

I thought of the Dutch poet Lucebert. In 1954, dressed as the ‘Emperor of the Fifties Writers’ and complete with a retinue of halberdiers, he tried to enter the Amsterdam Municipal Museum to collect a prize. The police restrained him with their truncheons.

In the bookshop I continued to scan the contents pages. I was in it after all: under H for Haar instead of under J for Jansen op de Haar.

It was the evening of the prize ceremony in Amsterdam. The chairman of the jury happened to be on a ship in the middle of the ocean, and addressed us by means of a video screen. The names of twenty poets were read out. They had written the best poems. The acting chairman would have liked a bit more humour in the poems. And the poems were read by members of the jury, to save time, of course.

The first member of the jury read seven poems. He was excellent. A second member of the jury, a young woman and poet, read the second lot. There are poets who, when reciting poems, savour the words as if tasting a wonderful dish. This was one of them: drawling, every sentence ending with a question mark. But there is a full stop!

It was now the turn of the acting chairman – the one who wanted humour. He read a poem called So Tired Am I in a fatigued manner. Luckily, you could read ahead on the big screen. One or two poets sitting behind me began to mutter disapprovingly. Some snoring was audible.

Everyone woke up when the acting chairman read the next poem. This time he shouted it. Maybe he decided: this poem cries out! In another poem, he managed to elongate words as if dealing with invisible commas. It’s clearly possible to wreck the rhythm.

The grumbling behind me increased. He sang one poem, probably because it rhymed. It was a pity he couldn’t sing. For a moment I wished he would read the next poem backwards.

The twenty chosen ones looked as if they wanted their chairs to swallow them up. I was at the back and wished I had a retinue of heavily armed halberdiers.

The winning poem was called No. A camera was switched on, and everyone clapped. Then the meeting died a silent death.

On to the Poetry Gala, a few streets away. It closed Dutch National Poetry Week. There were hundreds of people, including plenty of younger ones. A wealth of performances, creating a wonderful chaos. The cloakroom couldn’t take any more coats. People managed to get in without tickets by using the bar entrance.

In a packed auditorium, the Amsterdam poet-in-residence, Menno Wigman, took his leave, and his successor, Anna Enquist, was installed. The performances of both poets hit exactly the right note. I even enjoyed the councillors’ speeches.

I had to catch a train home, and so I disappeared anonymously into the night and thought about my poem Phoenix. It was as if the last stanza resonated along the canals: until for once their eyes/ blocked ears opened/ tingle of light and whistling.

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press

arnold jansen op de haar

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Previous columns:
In de boekhandel stond de bloemlezing prominent uitgestald. Snel zoeken onder de J van Jansen op de Haar. Verdomd, ik stond er niet in. Maar ik besefte ook gelijk dat dit mogelijkheden bood. Als ‘vergeten dichter’ op radio en tv. Ik begon al een vreugdedansje uit te voeren.

De Turing gedichtenwedstrijd had samen met uitgeverij Van Gennep een bundel van de honderd beste gedichten van de Turingprijs uitgegeven. Ik zou erin staan. Daar had ik bericht van gekregen. En ik maakte nog kans op de prijs.
 
Iedereen kon inzenden: amateur of professional. Dit jaar waren er bijna 10.000 inzendingen.

Mijn genomineerde gedicht was zo’n gedicht dat voortdurend op het randje balanceerde van mijn nieuwe dichtbundel. Ja, het was een bijzonder gedicht, maar vooral voor mijzelf en mijn zus. Ik schreef het vijf jaar geleden in vijf minuten en stuurde het per e-mail naar haar toe. Ze stond toen op het punt haar baan als directeur van een bedrijf op te zeggen om uitgeverij Holland Park Press te beginnen. Het gedicht hangt al vijf jaar boven haar bureau. Toevallig had het de juiste lengte voor de wedstrijd, dus stuurde ik het in.

Ik dacht aan de dichter Lucebert. In 1954 probeerde hij verkleed als ‘Keizer der Vijftigers’ met een gevolg van hellebaardiers het Amsterdamse Stedelijk Museum binnen te komen om een prijs op te halen. De politie ging Lucebert met de gummiknuppel te lijf.

In de boekhandel zocht ik verder in de inhoudsopgave. Ik stond er wel in: onder de H van Haar in plaats van de J van Jansen op de Haar.

De avond van de uitreiking in Amsterdam brak aan. De voorzitter zat ergens op een schip midden op de oceaan en sprak ons via een beeldscherm toe. Twintig dichters werden naar voren geroepen. Dat waren de besten. De waarnemend voorzitter vond dat er nog wat meer humor in de gedichten had gekund. En de gedichten werden door de juryleden voorgelezen. Dat scheelt natuurlijk tijd.

Het eerste jurylid las er zeven. Dat deed hij erg goed. Het tweede jurylid, een jonge vrouw, jurylid en dichter, deed de tweede groep. Je hebt van die dichters die bij het voorlezen woorden proeven als lekker voedsel. Dit was zo’n vrouw. Lijzig. En elke regel eindigde in een vraagteken. Er staat een punt!

De waarnemend voorzitter – die van de humor – was nu zelf aan de beurt. Een gedicht dat Zo moe ben ik heette, las hij vermoeid voor. Gelukkig kon je op het scherm vooruit lezen. Een of twee dichters achter me begonnen afkeurend te mompelen. Hier en daar snurkte men.

Men schrok wakker toen de vice-voorzitter een volgend gedicht voorlas. Nu schreeuwend. Misschien dacht hij: dat gedicht schreeuwt erom! Bij een ander gedicht wist hij woorden zo te rekken alsof er komma’s in stonden. Men kan een ritme ook verneuken.

Het gemompel achter me nam toe. Eén gedicht zong hij. Waarschijnlijk omdat het rijmde. Wel jammer dat hij niet kon zingen. Even hoopte ik dat hij het volgende gedicht achterstevoren zou voorlezen.

De twintig uitverkoren vooraan zaten door hun stoelen te zakken. Ik zat achterin. Had ik nou maar een gevolg van twaalf zwaarbewapende zoeaven gehad.

Het winnende gedicht heette Nee. Een camera floepte aan. Men applaudisseerde. Daarna ging de bijeenkomst als een nachtkaars uit.

Op naar het Gedichtenbal, verderop in de stad. De afsluiting van de Poëzieweek. Honderden mensen. Ook veel jonge. Talrijke optredens. Een heerlijke chaos. De garderobe kon de jassen niet meer verwerken. Men drong zonder kaartje binnen via de bar.

In een bomvolle zaal luidde de oude stadsdichter van Amsterdam, Menno Wigman, zijn termijn uit. De nieuwe stadsdichter, Anna Enquist, trad aan. Beide optredens waren raak. Zelfs de wethouders hielden een goed verhaal.

Ik moest de trein naar huis halen. Anoniem verdween ik in de nacht. En ik dacht aan mijn gedicht Feniks. Het was alsof de laatste strofe van dat gedicht over de grachten schalde: tot eenmaal hun ogen/ verstopte oren   geopend/ tuiten van licht en gefluit.
 
© Arnold Jansen op de Haar