was successfully added to your cart.

Writing as Salvation

Schrijven als verlossing

November 2, 2012

By Arnold Jansen op de Haar

I hardly ever pay visits. I love a lively discussion, but rather not in someone’s home. Visiting is a bit superficial, like a ‘novel without an extra layer of meaning’. In the way it invites thoughts like: would they use the living room suite for group sex on a bleak autumn day?

Or they have a timid daughter, and this title pops into your head: Sarah’s Silence.

The reason I’m heaving these thoughts is because I’ve just finished the final part of a biography about Dutch writer Gerard Reve (1923-2006). Reve too was an observer, much more a commentator than a participant in real life.

I admire Reve, and that makes me glad we have a few things in common, such as a preference for pitiful people, bed-bound people, and other neglected groups.

If, for example, I drive past an old people’s home or hospice and I spot a group of elderly people in the recreation room, I can’t help thinking: I hope they don’t engage a second-rate artist like Jimmy Savile to entertain them. Such things happen, but they always come to light forty years later, when everyone involved is already dead.

Or, when coaching people as part of a writing competition, you find out that one of the female entrants is called Sofia Opfer (Sofia Victim). A wonderful name, and you couldn’t have made it up.

Certain authors have a contagious writing style. Not because it can make you ill, but rather their work influences your own writing. Gerard Reve is one of them. So if you’re thinking ‘this column has a different feel’, you know what’s causing it.

The main thing that I noticed, when reading this biography, is how much Reve protected his working environment while at the time actually needing other people. It sounds very familiar.

A quarter of a century ago I stopped maintaining ‘social contacts by visiting people in their homes’. I usually meet people in public places, and I even meet up with my best friend in a pub.

Parties are probably even worse than visiting people at home. Being told to join in a polonaise must count as one of the main reasons for committing suicide.

When visitors announce their imminent arrival, there’s panic. At such times there is no way to get any writing done; besides everyone can see ‘what you’re working on’.

Reve was very attached to his mother. Some people think I’m also overtly close to my mother, because I look after her well. From time to time I cook her dinner; I would have done the same for my father, but of course I can’t do that. Who cooks for someone who’s dead? Occasionally I prepare asparagus for my dinner, ‘because it’s what he liked’.

Last Sunday I drove my mother, aged 88, and my aunt, aged 86, to a graveyard to change the ribbons on the flower baskets on the graves of my maternal grandparents and my uncle Harry. The baskets still had the ‘Eastertide’ yellow ribbons, which had to be replaced by red ones ‘because we’re approaching Christmastide’. Before you know it, you’re scrubbing the graves with an outsized washing up brush.

There’re more similarities, however: Reve had a made-up army career, whereas mine is genuine. And he drank three bottles of wine a day: I drink four beers at most, and never before five o’clock.

Reve loved men, I love women. Both of us used the catholic approach: all inclusive.

I too adore Holy Mary; just tell her everything and slip in ‘the asking for something’. During my life I’ve already spent the equivalent of a small car on votive candles. The Holy Virgin uses my money to drive about heaven in a sky blue, ‘the name says it all’, Fiat 500.

Maybe I should visit a psychiatrist, but before you know it he hangs himself, which is exactly what Reve’s personal doctor did.

And yet, as it says in the postscript to Reve’s biography: ‘Quite probably, no other Dutch writer has prevented as many suicides and comforted as many helpless people as he did.’

© Arnold Jansen op de Haar
© Translation Holland Park Press

Visit Arnold’s home page to find out more about his other publications.
 
Previous columns:
Ik ga nauwelijks op bezoek. Ik houd van een geanimeerd gesprek, maar liever niet bij de mensen thuis. Op bezoek gaan is een beetje oppervlakkig, als ‘een roman zonder laag eronder’. In de zin van dat je ondertussen denkt: zouden ze hier bij guur herfstweer groepsseks hebben in de zithoek?

Of ze hebben een bedeesde dochter en dan zit je opeens met een titel in je hoofd: De stilte van Sarah.

Dat ik dat allemaal dacht komt omdat ik het laatste deel van de biografie over Gerard Reve (1923-2006) gelezen heb. Ook Reve was een waarnemer. Meer een waarnemer dan een deelnemer aan het echte leven.

Ik bewonder Reve en dan ben je blij als je een paar overeenkomsten hebt, zoals een voorkeur voor zielige mensen, zoals bedlegerigen en andere vergeten groepen.

Als ik bijvoorbeeld langs een bejaarden- of verzorgingstehuis rijd en ik zie de oude mensen zitten in een recreatiezaal, denk ik: ze zullen er om ze te vermaken toch niet een tweederangs artiest of een Jimmy Savile op afsturen? Die dingen gebeuren, maar ze komen altijd veertig jaar later uit en dan is iedereen al dood.

Of je coacht mensen voor een schrijfwedstrijd en een van de vrouwelijke deelnemers blijkt Sofia Opfer (Sofia Slachtoffer) te heten. Schitterende naam. Je verzint het niet.

Sommige schrijvers hebben een besmettelijke stijl. Het is niet zozeer dat je er een ziekte door kunt oplopen maar hun werk beïnvloedt je eigen schrijven. Zo’n schrijver is Gerard Reve. Dus als u nu denkt ‘deze column heeft een andere toon’, dan weet u waardoor het komt.

Wat me vooral opviel in die biografie is hoezeer Gerard Reve zijn schrijfomgeving beschermde. En ondertussen kon hij eigenlijk niet zonder andere mensen. Heel herkenbaar.

Ik ben een kwart eeuw geleden opgehouden met ‘sociale contacten bij de mensen thuis’. Mijn ontmoetingen vinden doorgaans plaats in openbare gelegenheden. Zelfs mijn beste vriend ontmoet ik in een kroeg.

Feestjes zijn zo mogelijk nog erger dan ontmoetingen bij de mensen thuis. Gedwongen meelopen in een polonaise behoort tot de hoofdredenen om jezelf van kant te maken.

Kondigt er zich bezoek aan, dan breekt er paniek uit. Dan komt er van schrijven helemaal niks meer terecht. Iedereen kan zien ‘waar je mee bezig bent’.

Reve had een sterke moederbinding. Sommige mensen denken dat ook ik een overdreven sterke moederbinding heb, omdat ik goed voor haar zorg. Zo kook ik soms voor haar. Dat zou ik ook voor mijn vader doen. Maar dat doe je natuurlijk niet. Wie kookt er voor een dode? Soms kook ik wel asperges voor mijzelf ‘omdat hij dat lekker vindt’.

Afgelopen zondag ben ik met mijn moeder (88) en tante (86) naar een kerkhof gereden om op het graf van mijn grootouders aan moeders zijde, en oom Harry, de linten van de manden met planten te wisselen. De gele ‘van Pasen’ zaten er nog omheen. Die moesten door rode vervangen worden, ‘want we komen in de kersttijd’. En voor je het weet ben je met een hele grote wasborstel de graven aan het schrobben.

Er zijn nog meer overeenkomsten. Hoewel, Reve had een gefingeerde legercarrière, ik een echte. En hij dronk drie flessen wijn per dag, ik hooguit vier biertjes, en nooit voor vijf uur ’s middags.

Reve hield van mannen, ik van vrouwen. Maar allebei op een hele katholieke manier, dat wil zeggen: wereldomvattend.

Ook ik ben een Maria-vereerder. Gewoon alles aan Haar vertellen en ‘de vragen om iets te krijgen’ frommel je ertussendoor.

Ik heb in mijn leven reeds een kleine auto aan kaarsen gespendeerd. De Heilige Maagd rijdt in de hemel van mijn geld rond in een mariablauwe (‘de naam zegt het al’) Fiat 500.

Misschien moet ik eens naar een psychiater. Maar voor je het weet hangt die zich op. De lijfarts van Reve deed dat in elk geval wel.

En toch, het is zoals in het naschrift in Reve’s biografie: ‘Waarschijnlijk heeft geen Nederlandse schrijver zoveel zelfmoorden voorkomen en zoveel hopelozen getroost als hij.’

© Arnold Jansen op de Haar




Eerdere columns:
Een Nobelprijs voor Ricky Gervais
Sesamstraat Politie